Open Ruimte

Kaddisj zeggen

In het boek
Kaddisj: een dagboek heeft de schrijver Leon Wieseltier 680(!) pagina’s nodig om te vertellen hoe hij een jaar op traditionele joodse manier gerouwd heeft over de dood van zijn vader Marc Wieseltier.
Van deze ‘vette maaltijd met reine wijn’ wil ik u graag deelgenoot maken, maar ik besef dat dit alleen kan door middel van een kleine introductie van de schrijver, de joodse traditie en het boek zelf.

1. Leon Wieseltier
Vader Marc Wieseltier was een orthodoxe jood, die vlak na de oorlog met zijn vrouw uit Oost-Europa naar Amerika vluchtte. Zoon Leon - geboren in 1952, keurig opgegroeid en opgevoed in de joodse traditie - is nu al vele jaren een beroemd en gerespecteerd literair redacteur van
The New Republic, een invloedrijk opinieweekblad in de Verenigde Staten, gevestigd in Washington. Toen zijn vader overleed in 1996 besloot de schrijver, dan al twintig jaar een overtuigd agnost, om - geheel volgens de joodse traditie - drie keer per dag Kaddisj, het joodse gebed voor de rouwende wees, te zeggen in de synagoge en dat voor een periode van 11 maanden.
Tijdens die maanden verdiepte Wieseltier zich in de geschiedenis en de betekenis van het Kaddisj. Hij publiceerde in 1998 zijn boek, een - volgens een van de recensies – historisch, filosofisch, autobiografisch dagboek, waarin verlies, dood, vrijheid, religie en de betekenis van traditie centrale begrippen zijn.

2. De joodse traditie
De joodse traditie is kort gezegd: commentaar op commentaar, respons op respons.
De basis van die traditie wordt gevormd door de schriftelijke Tora: de vijf boeken van Mozes; op de tweede plaats volgen de profeten en dan de geschriften. Maar ver voor de jaartelling bestonden er al diverse rabbijnse commentaren bij de Hebreeuwse bijbel. In eerste instantie alleen mondeling. Pas in de eerste eeuw na de jaartelling werd begonnen om al deze commentaren - en de commentaren op die commentaren - op schrift te stellen. Het eerste belangrijke werk is de Misjna (dat zoveel als
herhaling betekent) en het uitgebreide commentaar daarop is de Talmoed, die overigens in twee versies bestaat: een Palestijnse en een Babylonische. Om een idee te geven waar we het over hebben: die laatste bestaat weer uit 36 boeken! Die Babylonische versie van de Talmoed heeft in de loop der eeuwen de meeste autoriteit gekregen.
Ook na de 8e eeuw, toen de Talmoed al definitief was afgesloten, gingen de rabbijnen onverdroten door met hun commentaren. Enkele belangrijke commentatoren van wie bijna iedereen wel eens gehoord heeft zijn Rasjie, Maimonides en Nachmanides. Al deze commentaren op de commentaren noemen we
Responsa*.
We zitten dan al ver in de Middeleeuwen. Het jodendom is inmiddels verspreid over heel Europa en verdeeld in twee belangrijke groepen: de Sefardische joden (meer in het zuiden) en de Asjkenazische joden (meer in het noordoosten). Ook hier valt weer veel over te vertellen en dat gebeurt ook in het boek van Wieseltier, maar dat zou te ver gaan voor deze inleiding.

Wat wezenlijk is om het jodendom te kunnen begrijpen, is dat een gelovige Jood de geschreven Tora (de eerste 5 boeken van Mozes) en de mondelinge Tora (de rest: Misjna, Talmoed, responsa etc.) als een samenhangend geheel ziet: uiteindelijk gaat alles terug op de Tora van Mozes.
Het volgende verhaal (een z.g. Midrasj) vormt een grappige illustratie bij die zienswijze:
Mozes, de grootste van alle profeten, gaat op aarde kijken hoe de kinderen van Israël het doen. Hij loopt een synagoge binnen en maakt een sjoeldienst mee met diverse gebeden die hem vreemd in de oren klinken, uitleg van geboden waar hij nog nooit van gehoord heeft, kleding en bewegingen: het is hem allemaal vreemd. Na het eind van de dienst gaat hij naar de rabbijn en vraagt hem waar de kinderen van Israël dat alles vandaan hebben. ‘Dat, mijn vriend’, zegt de rabbijn, ‘is de Tora die Mozes heeft ontvangen.’ Gerustgesteld loopt Mozes de sjoel uit.

Uit die opeenstapeling van commentaren is een heel spitsvondig systeem ontstaan.
Ik geef daarvan een voorbeeld:
• in de Tora staat dat de kinderen van Israël zich niet moeten inlaten met de heidense volken
• in de Talmoed staat dat derhalve een huwelijk tussen joden en christenen niet is toegestaan, tenzij de christen zich bekeert tot het jodendom
• in de responsa-literatuur van na de Middeleeuwen staat een rabbijn het echter toe, indien de (islamitische of christelijke) staat een dergelijk huwelijk toestaat. Voor dit ogenschijnlijk afwijkende standpunt wordt dan wel diverse malen een beroep gedaan op de vroegere rabbijnen.

3. Het boek Kaddisj
Wieseltier is dus na twintig jaar afwezigheid weer terug in de synagoge om daar een van de belangrijkste joodse plichten te vervullen: het zeggen van het Kaddisj voor zijn overleden vader. Dat houdt in: elf maanden lang driemaal per dag aanwezig zijn in Sjoel om tijdens de dienst samen met de andere aanwezige rouwenden het gebed uit te spreken.

Waar komt die traditie eigenlijk vandaan? Waar is deze voor het eerst gesignaleerd en op wiens conto wordt deze traditie geschreven? Hoe zit het met de moeders, en wat doen de dochters? Dat zijn allemaal vragen die de schrijver bezighouden vanaf dag één dat hij in de synagoge zijn plichten vervult.
Het feit dat de schrijver een propedeuse middeleeuwse Hebreeuwse literatuur achter de rug heeft, maakt zijn zoektocht enerzijds makkelijker, anderzijds dreigt het daardoor ook een zoeken naar de speld in de hooiberg te worden. De Talmoed wordt niet voor niets een Oceaan genoemd en de commentaren daarna zijn qua omvang nog een factor groter.

Wat maakt dit boek nu zo speciaal?
• Allereerst levert Wieseltier een sterk staaltje van wetenschappelijk
vakwerk. Hij stelt steeds de juiste vragen en laat zich door al te voor
de hand liggende antwoorden niet zomaar uit het veld slaan.
• De onbevangenheid van de schrijver jegens de traditie siert hem. Er
is eerbied (echter niet overdreven) en altijd de bereidheid weer een
nieuwe vraag te stellen (wat op zich al een goede joodse traditie is).
• Door het hele verslag van de zoektocht weeft de schrijver diverse
pareltjes van observaties. Het volgende vijftal wil ik u niet onthouden:
- Ik vertelde aan een vriend dat ik naar sjoel was teruggekeerd. De cirkel is dus niet verbroken, zei hij. Misschien een beetje te weinig gebroken, dacht ik. Ik houd van gebroken cirkels. Ik doorbreek cirkels.
- Een nieuwe traditie. Wat een betoverende woorden. Maar bekijk het nuchter. Als we een nieuwe traditie zouden scheppen, op wie zouden we dan kunnen vertrouwen op de doorgave daarvan?
- Als de hel jeuk is, dan is de hemel krabben. En wie zou dan niet de voorkeur aan deze wereld geven, boven jeuk of krabben?
- Het idee dat ik in wezen uit geest besta, kan absurd zijn, maar het idee dat ik in wezen uit vlees besta, is nog absurder.
- ‘Ik geloof er niets van!’. Met die woorden komt een vriend vanavond de sjoel binnenrennen. Ik sta versteld. Hij is een gelovig man, althans dat dacht ik. Dan draaft hij naar de telefoon en belt een paar geloofsgenoten van ons op om zich ervan te vergewissen dat degenen die beloofd hadden naar de dienst te komen, inderdaad onderweg zijn.
(Een dienst in een synagoge kan pas plaatsvinden als er minstens 10 mensen aanwezig zijn. Wieseltier beschrijft een aantal malen hoe op verschillende manieren de Minjan (het tiental) verzameld wordt.) O, nu begrijp ik het: het geloof van mijn vriend is intact; zijn geloof in de medemensen wankelt. Ik ben enigszins teleurgesteld. Ik had gehoopt dat zich een theologische crisis zou ontwikkelen.

Tenslotte
De traditionele joodse stelling is dat het Kaddisj werkt voor de overledene. En wel: door de zoon voor de vader. Andersom werkt het niet (door de vader voor de zoon, hoewel ook hier weer enige responsa aan gewijd zijn). Waarom, vraagt Wieseltier zich af - en met hem een lange reeks aan rabbijnen - pleit de zoon de vader vrij? Het antwoord luidt:
Het Kaddisj is een smeekgebed volgens de regels. De Rechter is niet onder de indruk van het feit dat de beklaagde jouw vader was. Wat heeft bloed te maken met karakter? Nee de rechter moet meer weten. Wat voor soort vader was jouw vader? Door op te staan om Kaddisj te zeggen heb je die vraag beantwoord: hij was het soort vader dat zijn zoon geleerd heeft dit te doen. En een man die zijn zoon de richting van de waarheid heeft gewezen, verdient genade.

Johan Cruijf becommentarieerde de dood van Rinus Michels begin maart 2005 ongeveer als volgt. ‘Michels had een goed trainingsysteem. Dat heb ik van hem overgenomen. Een mooier compliment kan je hem niet geven’.
Zo is het ook met Kaddisj zeggen. Als bidder in de joodse traditie zeg je eigenlijk tegen de allerhoogste rechter: ‘ik bid en een mooier compliment kun je mijn vader niet geven.’

Op 6 maart 2005, iets meer dan een jaar na de dood van mijn vader, heb ik in het NPB-huis van Veenendaal het (Hebreeuwse) Kaddisj mogen lezen. Gedragen door de aandacht van de aanwezigen heb ik in diepe verbondenheid met mijn eigen (christelijke) traditie de lofwoorden hardop mogen bidden in liefdevolle herinnering aan mijn vader.
En inderdaad, een mooier compliment had niemand hem kunnen geven.


Het Kaddisj (vertaling)

Moge zijn grote naam verheven en geheiligd worden in de wereld die hij geschapen heeft naar zijn wil. Moge zijn koninkrijk erkend worden in uw leven en in uw dagen en in het leven van het gehele huis van Israël, weldra en spoedig.
Zeg dan: Amen.

Moge zijn grote naam gezegend zijn nu en voor altijd. Gezegend, geprezen, gevierd, en hoog en hoger steeds verheven. Verheerlijkt, gehuldigd en bejubeld worde de naam van de Heilige, gezegend zij hij hoog boven iedere zegening, elk lied, lof en troost die op de wereld gezegd wordt.
Zeg dan: Amen.

Moge er veel vrede uit de hemel komen en leven! Over ons en over heel Israël.
Zeg dan: Amen.

Hij die vrede maakt in zijn hoge sferen, zal ook vrede maken voor ons
en voor geheel Israël.
Zeg dan: Amen.


page69_1




* In de Responsa, in het Hebreeuws She'elot en Teshoevot (vragen en antwoorden), worden actuele vraagstukken behandeld. Na de afsluiting van de Talmoed blijven zich namelijk allerlei kwesties voordoen die niet afdoende zijn opgelost in de Talmoed en waarover vele rabbijnen zich hebben gebogen (en zich blijven buigen) om die alsnog bevredigend op te lossen. Hiervan zijn allerlei verzamelingen aangelegd.
Omdat er steeds nieuwe ontwikkelingen opduiken gaat het proces van Responsa nog steeds door, bijvoorbeeld in actuele kwesties als kunstmatige inseminatie en de problemen aangaande de moderne staat Israël. Het betreffen in de regel zaken van wetgevende aard. (WikiPedia)