god in het gekkenhuis

War-stad


Een babylonische verwarring


Dit verhaal speelt zich af ergens in de oertijd. Toen er nog reuzen op aarde rondliepen.

De grote koning Sem was overleden en het hele volk was in diepe rouw. Hoe moest het nu verder? De koning had een eeuwigheid zijn landgenoten geregeerd en de mensen waren van gierigaards die alleen maar aan zichzelf dachten veranderd in mensen die het algemeen belang voorop stelden. Ja, voor Sem’s tijd waren de mensen alleen met zichzelf bezig. Ik, ik, ik stond voorop en daarna kwam nog een keer ik, ik, ik. Omdat iedereen alleen met zichzelf bezig was, deden ze nooit iets gemeenschappelijks. Daardoor waren ze altijd een makkelijke prooi van anderen, of van de natuur, of het weer. Iedereen dacht alleen maar aan zijn eigen huisje en alle energie werd daarin gestopt om het huisje stevig en beschut tegen roofdieren, wind en regen te maken. Dus toen op een keer de rivier buiten haar oevers kon treden omdat er geen dijken waren aangelegd, was bijna de hele bevolking omgekomen.

Vanaf het moment dat koning Sem op de troon zat, liet hij de mensen gezamenlijk dammen en dijken bouwen. Hij leerde zijn mensen hoe ze moesten samenwerken. Hij maakte hen duidelijk hoe belangrijk het was om het belang van de enkeling ondergeschikt te maken aan dat van de gemeenschap. Hij leerde de mensen ook dat als ze goed naar elkaar keken en naar elkaar luisterden, ze ook makkelijk konden begrijpen wat de anderen bedoelden. Dat lukte inderdaad zo goed dat de mensen steeds minder woorden nodig hadden, als ze met elkaar spraken. Ze hoefden slechts naar elkaar te kijken en de een wist wat de ander wilde. Op een gegeven moment gebruikte iedereen slechts één woord: OHM. Dat bromden de mensen de hele dag en iedereen begreep het.

En nu was de koning dood. Hij lag in een mooie kist, die al dagen door het land werd gedragen. Die kist was grijs, want dat was zijn lievelingskleur. Het volk was diep verdrietig en in grote verwarring. Ze pakten de een na de ander hun spullen en liepen mee achter de begrafenisstoet aan.
Een hele volksstroom kwam op gang. Ze trokken naar het oosten, net zolang tot ze in een prachtige vallei kwamen, Daar kwam het volk tot rust. Hier blijven we, wisten ze. Hier bouwen we een stad, met een toren ter nagedachtenis aan onze koning Sem. De mensen kleedden zich vanaf dat moment, van jong tot oud, in grijs, als eerbetoon aan koning Sem. In de grote grijze toren in aanbouw werd de koning opgebaard. Minimaal één keer per dag liep elke bewoner van de stad langs de kist van de koning en boog eerbiedig.

Er ontstonden spoedig steenfabrieken. Iedereen kreeg een taak toebedeeld: de één bakte stenen, stevige grijze, de ander bracht ze naar de stad, weer anderen metselden met mooi grijs cement lange en hoge muren, weer anderen bewaakten de werkers tegen grote roofdieren. Sommigen zorgden voor eten, anderen bezorgden het. Weer anderen zorgden voor de kleine baby’s zodat de moeders weer snel konden werken. Iedereen deed wat hij of zij moest doen, zonder te vragen waarom. De mensen werkten van de vroege morgen tot de late avond. Dag in dag uit. En overal hoorde je het kabbelende OHM.

Soms ging er wel even iets fout. Op een keer raakte bijvoorbeeld een oven oververhit in een van de fabrieken. De oven explodeerde en vele mensen kwamen om het leven. Maar zoiets werd meteen opgelost: er kwamen direct mensen die de doden weghaalden en begroeven, anderen die de gewonden weghaalden en verzorgden, weer anderen begonnen de fabriek in een hoog tempo weer op te bouwen en na een weekje was er niets meer van de ramp te merken en niemand dacht er nog aan.

*

Op een dag daalde een vreemdeling van de berg af en mengde zich onder de mensen om te kijken wat er in de stad gebeurde en hoe de toren vorderde. Hij liep door de straten, waar rondom hem heen iedereen ijverig heen en weer liep.
Hij fronste zijn wenkbrauwen en dacht: dit lijkt wel een termietenkolonie. Zo zouden mensen niet moeten leven. Kijk, het is één volk, en er is één taal voor iedereen. En dit is nog maar het begin van wat ze gaan doen. Nu zal er niets meer mislukken van alles wat ze zich voorgenomen hebben om te doen. Dat lijkt mooi, maar op deze manier komen ze er nooit achter hoe ze werkelijk zelf verantwoordelijk worden voor wat ze doen. Zo zullen ze nooit echte mensen worden. Hun reis in deze wereldtijd is nog maar net begonnen en ze denken nu al dat ze aangekomen te zijn. Ze moeten op zich zelf gaan wonen. Ik zal ze verwarren.

En de vreemdeling ging tussen de metselaars staan en gaf ze cement als ze om stenen vroegen en andersom. Hij zorgde er voor dat het eten niet aankwam, waar het moest aankomen, maar bracht het naar de mensen die al genoeg hadden. Hij liet de ovens uitgaan.

Na een dag was de hele stad één grote chaos. De mensen merkten dat er iets mis was, maar niemand begreep wat. Ze hielden op met hun OHM- gebrom en probeerden wat ze bedoelden met woorden uit te drukken. Toen merkten ze dat ze met hun woorden andere dingen bedoelden dan wat de anderen begrepen. Ze raakten, net als toen de koning overleden was, weer in grote verwarring en begonnen in paniek door de stad te dwalen. Af en toe ontmoetten ze echter iemand die begreep wat ze zeiden. Het duurde niet lang of er liepen verschillende groepen door de stad.
De voedselverzorging was inmiddels ontregeld, de voorraden werden geplunderd en de groepen mensen begonnen de stad te verlaten.

Uiteindelijk bleef alleen de vreemdeling achter. Hij stond bij de kist van de oude koning Sem en zei bij zichzelf: ‘De mensen denken dat ze nu in verwarring zijn, maar de grote verwarring was de manier hoe ze hun stad bouwden zonder er rekening mee te houden dat ze mensen zijn en geen mieren, bijen of termieten. Daarom zal deze stad van nu af aan de naam War-stad krijgen.’
‘Ik weet dat je het zo niet bedoeld hebt,’ zei de vreemdeling tegen de koning, ‘maar ze moeten nu echt op eigen benen staan. Nu moeten ze weer verder op reis. Ik ben benieuwd.’
‘Ik ook,’ zei de koning en blies zijn allerlaatste adem uit.

En van het ene op het andere moment was de vreemdeling verdwenen