god in het gekkenhuis

In het dertiende jaar (1)

1 1 In het dertiende jaar kwam het woord van God tot mij zeggende: ‘Sta op, ga naar Den Haag en verhef je stem tegen Geert Wilders’. 2 En ik schrok en sprak: ‘Ik ben maar een eenvoudige huisvader. De politiek is gevaarlijk in deze dagen. Ik vrees voor mijn leven’. 3 God stapte van zijn wolk, zette zich tegenover me aan tafel en sprak: ‘Goed punt. Nee, geen suiker; beetje melk graag’.
4 En het geschiedde dat het woord van God voor de tweede maal tot mij kwam, zeggende: ‘Sta op, ga naar Zwolle en verhef je stem tegen de vrijzinnigheid’. 5 En ik schrok opnieuw en sprak: ‘Maar God, ik ben zelf vrijzinnig. En daarbij, wat hebt u tegen de vrijzinnigheid?’ 6 God hield het kopje koffie voor zijn aangezicht, genoot zichtbaar van de geur en sprak: ‘Heerlijk’. Daarna wendde hij zijn aangezicht tot mij en sprak wederom, zeggende: ‘De vrijzinnigheid keert zich tegen mij. Elke religie wordt toegelaten, maar ik ben niet meer gewenst. Ik was laatst in een dienst waar mijn naam niet eens meer werd genoemd. Het wordt tijd daar je stem tegen te verheffen’. 7 En ik viel op mijn aangezicht ter aarde en jammerde luidkeels, zeggende in mijn hart: ‘Wat is er op tegen dat uw naam niet meer wordt genoemd?’ 8 En God antwoordde: ‘Dat is het begin van het einde. Straks houden ze nog een bijeenkomst over de Tarot’. 9 En ik, bij mijzelf terugkomende in de geest, sprak: ‘Dat hebben we allang gehad. En wat is daar eigenlijk op tegen?’ 10 En God verwonderde zich zeer, zeggende: ‘Kan een mens dan tegenwoordig nergens meer zijn stem tegen verheffen?’.
11 Toen dacht ik diep na en zei: ‘Ik heb onlangs nog geprotesteerd tegen de bezuinigingen op de kunst en de cultuur. Dat wil zeggen ik heb de uitzending op televisie gevolgd. Nou ja een klein deel daarvan.’ 12 En God knikte en sprak: ‘Zelfs Frits Bolkenstein verhief daar zijn stem’. En ik sprak en zei: ‘Ja maar, hij wil bezuinigen op de ontwikkelingshulp’. 13 En God sprak vertoornd: ‘Het moet toch mogelijk zijn om ergens je stem tegen te verheffen’.
En ten tweede male dacht ik diep na. En dit gedaan hebbende sprak ik zeggende: ‘Ik heb onlangs nog mijn stem verheven tegen overlast van mijn buurjongens’.
14 God verslikte zich en proestte het uit, zeggende: ‘Dat kan toch niet je ernst zijn’.
En ten derde male dacht ik diep na en sprak: ‘Eigenlijk wel. Maar ik stuur af en toe ook een mail voor Amnesty om te protesteren tegen martelingen.’
15 Gods aangezicht klaarde op en hij zeide: ‘Ah, je bent dus op de hoogte van wat er zich in de wereld afspeelt en daar verhef je je stem tegen. Dat is mooi’. Ik aarzelde terwijl ik sprak: ‘Ik ben zo druk; ik kan niet alles lezen en druk daarom meestal direct op VERZENDEN’.
16 Er klonk een telefoonsignaal. God pakte zijn iPhone en lezende de woorden die hij zag, sprak hij, zeggende: ‘Is het alweer zo laat?’ En zich tot mij wendende en sprekende, zei hij: ‘Wat is dat nou toch met die vrijzinnigheid? Het is niet warm en niet koud, maar akelig lauw’. 17 En ik trad voor zijn aangezicht en sprak: ‘De vrijzinnige heeft het moeilijk: zijn voorouders hadden tenminste een God die het geheel overzag en aan wie je kon overlaten wat je niet begreep of niet aankon. De vrijzinnige die zo dom is om na te denken is zo akelig zelf verantwoordelijk voor wat hij zegt, denkt en nalaat.’ 18 En God, ziende mijn gezicht, werd met ontferming bewogen. En hij liep me tegemoet, viel me om de hals en kuste me, zeggende: ‘Jij bent mijn zoon, mijn geliefde, in jou heb ik mijn welbehagen’. En ik, hevig ontsteld, sprak: ‘Liever niet kussen. Ik heb zo’n last van plotseling opkomende koortslippen’. 19 En God sprak: ‘Wil de verloren zoon dan niet terugkeren naar huis? In mijn huis zijn veel woningen, daar past de vrijzinnigheid ook wel in’. 20 En ten tweede maal klonk er het geluid als van een rinkelende telefoon. Toen God dit hoorde sprak hij: ‘Voorwaar, voorwaar ik zeg je: ooit stap ik weer over op een papieren agenda’.
21 Ik wandelde nog even samen met hem op. En hij was niet meer. Precies zoals ik altijd al had gedacht.