god in het gekkenhuis

Oud en der dagen zat


Op bezoek bij God in huize Avondrood


De bloem

Ik was die dag al vroeg bij hem op bezoek. Het was half 10 ‘s ochtends en God lag nog op bed in zijn kleine kamer in huize Avondrood.
‘Er is niet zoveel personeel,’ verontschuldigde hij zich, ‘meestal komen ze rond 10 uur, maar ik heb gevraagd of ze vandaag wat vroeger kunnen komen, omdat jij zou komen, mijn kind.’

Het was ontroerend hoe God mij ‘zijn kind’ noemde, een oude man, hulpeloos op bed, oud en der dagen zat. De deur ging open en een jonge vrouw in een strak wit pak kwam binnen. Ze wenste goede morgen, opende de gordijnen, zette het ontbijt klaar, kwam met een teiltje warm water Gods aangezicht wassen, vroeg hoe het met hem ging, hielp hem uit bed en in de kleren en zette hem in de stoel. Ze wenste hem nog een goede dag en ging toen weer verder. Ze had het in een ruk en een zucht voor elkaar gekregen.

‘Dat was snel,’ constateerde ik met enig sarcasme in mijn stem.
God keek tevreden voor zich uit.
‘Vergis je niet,’ zei hij zacht, ‘Ze is geweldig. ‘s Morgens zet ze de stoel zo neer dat ik van de opkomende zon kan genieten. Vanmiddag zal ze de stoel weer iets verplaatsen. En kijk...,’ hij wees naar een kleine frisse bloem naast zijn bord, pakte die en liet hem mij zien. ‘Elke ochtend legt ze een bloem bij het eten neer. Geweldig hè? En dat alles in nog geen vijf minuten. Zo doet ze de hele gang.’

God nodigde me uit bij hem aan tafel: ‘Kom, alles staat klaar.’
Hij pakte een sneetje brood, sneed het door midden en gaf een helft aan mij.
Ik schudde mijn hoofd, maar hij zij: ‘Neem. Eet.’
‘Ik heb al gegeten, God,’ verontschuldigde ik me.
‘Als je wist wat ik je te bieden had, zou je het brood direct nemen en om meer vragen,’ glimlachte hij en ik nam het brood aan.


Gods almacht
‘God,’ vroeg ik hem, ‘waarom zit u hier en niet in uw hemels paleis?’
‘Hemels paleis?,’ zei hij verbaasd, ‘Ik heb geen hemels paleis. Ik zwerf al rond, zolang de aarde bestaat.’
‘Maar wie regeert er dan de wereld en het heelal en wie verhoort de gebeden?,’ vroeg ik op mijn beurt verbaasd.

‘Wat heb jij rare opvattingen over mij!,’ lachte God, ‘De wereld besturen? Ik zou zeggen dat is duidelijk, dat doen mensen. Als je bedoelt hoe het elke keer weer licht en donker wordt, zomer, winter, en zo, zou ik je willen aanbevelen je nog eens wat te verdiepen in natuurkunde en biologie. Er zijn natuurlijke processen en zonder die natuurlijke processen, dondert de hele boel in elkaar. Ik dacht dat je dat wel wist.’
Ik knikte. ‘Ja, maar u hebt het toch allemaal gemaakt?’
Ik was een beetje in de war.
‘Ja en?,’ hij keek me bezorgd aan. ‘Gaat het wel goed met je, jongen?’
Weer voelde ik me geroerd, zoals hij tegen me sprak. Niet neerbuigend maar zo.., hoe zeg je zoiets, zo vol mededogen.
‘God,’ vroeg ik hem op de man af, ‘hebt u nou wel of niet alles gemaakt?’
‘Luister jongen,’ God leunde naar me toe, ‘Ik ben de oorsprong van het alles, is dat niet genoeg. De oorsprong, jongen. Denk daar eens over na.’
Ik was stil. Ik zag het onbenullige in van mijn vraag, maar zo gemakkelijk wilde ik niet opgeven.
‘Okay. Ik zal het niet hebben over wie de aarde gemaakt heeft, en ook niet of u nou wel of niet alles bestiert, maar ik ben wel benieuwd naar de gebeden. Miljoenen gebeden moeten het zijn, die dagelijks naar u worden opgestuurd.’
God zuchtte. Er viel een kleine stilte en toen begon hij te spreken:
‘Mensen die om mooi weer vragen, vragen het onmogelijke. Wat mooi is voor de een is vreselijk voor de ander. Mensen die vragen om het einde van de oorlog, zijn ook aan het verkeerde adres. Ik heb die oorlogen niet gemaakt, ik heb ze niet gewild en ik kan ze niet laten verdwijnen zonder in te grijpen in het dierbaarste wat jullie hebben: jullie vrije wil. Jullie maken oorlogen, jullie moeten er zelf een eind aan maken.’
‘Maar een kind in Afrika heeft toch geen schuld,’ riep ik verontwaardigd.
‘Ik ook niet, jongen,’ zei God zacht. ‘Het is niet mijn schuld en ik kan er niets aan doen.’
‘Maar u bent almachtig, God nog aan toe!’
Ik begon een beetje boos te worden.
‘Jongen, kijk naar mij.’
Hij zweeg. Ik sloeg mijn ogen neer.

‘Kijk naar mij!,’ herhaalde hij, ‘zeg me wat je ziet en beantwoord daarna je eigen vraag.’
Ik zweeg. Ik zag een oude man, die zichtbaar moeite had met ademen. Daar was geen almacht te bekennen.

Een hele tijd bleef het stil.
‘Wat is het nut dan van Godsdienst en van het geloven in U?,’ vroeg ik uiteindelijk.
God haalde zijn schouders op. ‘Geen idee! Waarschijnlijk geen.’
God schudde het pakje melk, dat op tafel stond, pakte een beker en goot er de helft van het pak in. Hij bood het me aan. ‘Neem! Drink!’
Ik kon weer niet weigeren en nam de beker aan. God zette het pak tegen zijn mond en morste een weinig toen hij het pak in één teug leeg dronk.
‘Ik heb werkelijk geen idee jongen. Het is nogal dwaas in een God te geloven die je niet kunt zien en die, zoals je hebt kunnen constateren, niet echt machtig is. Een mens kan beter in zichzelf geloven. Zo’n geloof kan waarschijnlijk bergen verzetten.’
‘Maar de liefde dan?,’ vroeg ik wanhopig.
‘Ah, nu begin je verstandig te praten. De liefde. Ja, als mensen in de liefde zouden geloven, als alle mensen in de liefde zouden geloven, ja, dan zou de oorlog verdwijnen.’
‘Maar God is liefde, heb ik altijd geleerd,’ zei ik.
‘Dat klopt, hopelijk ben
jij ook liefde. Ik ken en kende een heleboel mensen die liefde zijn. Kijk om je heen: liefde is overal’
‘En als mensen om kracht bidden, om sterkte omdat het zo beroerd met hen gaat, omdat ze zo’n zware last te dragen hebben?’
‘Als een mens zó kan bidden, zijn problemen zó onder woorden kan brengen, dan zal hij kracht ontvangen. Er zullen overal mensen zijn, die hem helpen zijn last te dragen. Een ieder van ons draagt daar een steentje aan bij, jij en ik. Wij dragen feitelijk elkanders lasten.’
‘Wat is dan het nut van u op deze wereld?’
‘Geen. Er is geen nut. Ik ben een oude man en ik heb genoeg dagen meegemaakt. Meer dan genoeg. Mijn tijd is voorbij, in deze wereld is geen plaats meer voor mij, als een entiteit die God heet. Dat is overigens niet erg.’
Hij pakte mijn arm en ergens voelde ik me getroost. ‘Vergis je niet , jongen. Mensen hebben te lang in mijn naam hun eigen verantwoordelijkheid aan de kant gezet. Dit is de tijd dat de mensen met de billen bloot moeten. Als je in de liefde gelooft, dan kan het niet bestaan, dat je in naam van God mensen zou kunnen doden. Nooit en te nimmer,
dat is een vreselijke gotspe. Want, zoals je al zei: God ís liefde.’

God keek me streng aan, maar glimlachte toen weer.

‘Laten we maar eens een kleine wandeling maken,’ stelde hij voor. ‘Als jij me even helpt.’
Hij wees op een rollator in een hoekje van zijn kamer. Ik haalde het ding en zette het voor hem neer. Heel langzaam, voetje voor voetje, gingen we door de lange met tl-buizen verlichte gangen van het huis en kwamen in een groene tuin, met hoge bomen en veel schaduw. Het was heerlijk warm en we gingen op een bankje aan de achterkant van het huis zitten.


Verliefd
‘Hebt u een gelukkig leven gehad?,’ vroeg ik.
‘Ik mag niet klagen,’ zei hij. ‘Ik heb prachtige momenten beleefd op deze schitterende aarde.’
‘Ooit verliefd geweest?,’ vroeg ik.
God bloosde.
‘Hoe heette ze?,’ lachte ik.
Nu moest God lachen. ‘Ze? Waarom denk je dat het geen ‘hij’ is.’
Ik was een beetje geschokt en nu begon ik te blozen.
‘Hoe heette hij?,’ zei ik zacht.
God sloot zijn ogen.
‘Hij was als de morgenster, stralend in het duister, een belofte van een nieuwe dag. Hij wilde alles beleven, alles meemaken, zelden heb ik iemand zo snel zien opbranden, opbranden...,’ mijmerde God, ‘... als een lucifer.’
‘Het is nooit wat geworden tussen hem en u?,’ raadde ik.
God schudde zijn hoofd en glimlachte.
‘Vergis je niet, jongen. Ik ben de oorsprong en hij was het eerste dat ik baarde en het allermooiste dat ik ooit heb gezien. Ik was helemaal weg van hem. Hij op zijn beurt heeft me zelfs niet één keer aangekeken. Het duurde niet lang of hij ging er vandoor. Toen voelde ik voor het eerst diepste pijn, je weet wel zo’n pijn die hoort bij echte verliefdheid. Het was een geweldig gevoel! Ik wist niet wat me overkwam, ik was ten slotte God, ik was de oorsprong, maar ik wist niet van het bestaan van deze gevoelens: hoogte en diepte. En plotseling waren er bergen en dalen en begon de aarde planten en dieren voort te brengen. Het was alsof ik in een droom leefde. Toen wist ik, deze gevoelens, dit hoog, dit diep, dit werkelijk zijn,
dít moet ik delen met anderen. Voor ik het wist liepen er mensen rond en ze leken allemaal op mij en voelden wat ik voelde: hoog en diep. We waren allemaal samen en toch ... alleen. Dus je zou me kunnen vragen: was het dit allemaal waard?’
Hij wachtte even en keek mij aan.
Ik knikte en zei: ‘en...was het dit allemaal waard?’
‘Het was het volledig waard!,’ zei God met enige nadruk, ‘Als ik zal sterven zal dat alleen maar het ultieme van alle gevoelens bevestigen. Een soort toetje.’

Het was tijd voor het middageten. Wij sloften rustig naar zijn kamer, waar het eten al klaarstond.
De stoel was verschoven en er lag een verse bloem naast het bord.
We aten in stilte. Op de een of andere manier wist ik niet veel meer te vragen en ik had een heleboel om over na te denken. Na het eten ging God een uurtje op bed liggen. Ik wilde even naar buiten zodat hij rustig en ongestoord kon slapen.

‘Blijf bij me,’ bedelde hij.
Ik bleef zitten en overdacht wat er deze dag allemaal was gebeurd.


Bingo!
Om drie uur schuifelden we door de gangen, op weg naar de wekelijkse bingo. God vertelde enthousiast dat hij daarom de woensdag had voorgesteld voor mijn bezoek, omdat er dan ‘die geweldige bingo’ was in de recreatiezaal, of zoals God zelf schertsend zei: de herscheppingzaal. We kwamen in een zaal die al bijna helemaal gevuld was met de andere bewoners van het tehuis. Halverwege de zaal en onopvallend aan de kant vonden we een tafeltje met twee stoelen. Het duurde niet lang of de kaarten werden rondgedeeld.
‘Dit is een geweldig spel,’ zei God vergenoegd.
‘Ik vind het eigenlijk een saai spel,’ merkte ik op.
God schudde zijn hoofd.
‘Wacht maar af, jij zult nog anders piepen.’
Ik keek met God mee. De cijfers werden omgeroepen. Tot mijn verbazing bleek elk omgeroepen cijfer ook op de kaart te staan die God aan het invullen was.
‘Hier,’ fluisterde ik, ‘69, die hebt u. Die moet u aankruisen.’
Hij legde zijn vinger op zijn mond en maande me zo tot zwijgen.
God had alles aangestreept behalve 69. Het duurde daarna nog een tijdje
totdat iemand ‘bingo’ riep.
‘Jongen, ik kan toch niet elk spelletje winnen?,’ fluisterde hij mij toe.
‘Bedoelt u dat u altijd de goede kaarten hebt?,’ vroeg ik.
‘Tja,’ zei God, ‘ik ben nu eenmaal God, niet waar?’
‘Mag ik een keer?,’ vroeg ik.
God schoof een blaadje naar mij en keek toe hoe ik de tweede ronde speelde. Het was werkelijk ongelofelijk. Alle getallen die genoemd werden had ik op mijn papiertje staan. 53, 42, 67, 12. Nog één getal: 22. Tweeëntwintig, tweeëntwintig, ging het als een golvende mantra door mij heen, tweeëntwintig. In de verte hoorde ik een stem die riep: tweeëntwintig!

‘Ja!,’ schreeuwde ik, ‘Ja, ja, ja, bingo!’

Er viel een moment van doodse stilte. Toen hoorde ik om mij heen: ‘Fout, fout! Je mag alleen ‘bingo’ zeggen.’ Een paar bewoners stootten elkaar aan en verkneukelden zich zichtbaar over mijn domme gedrag.
Ook God lachte.

‘Saai he?,’ fluisterde hij.

De rest van de middag ging gezellig verder. God vergat steeds een getalletje en aan het eind van de Bingo verlieten we alle twee tevreden de zaal. Onderweg feliciteerde God een paar gelukkige winnaars. Voor het avondeten konden we nog net even buiten voor het huis aan de drukke straat op het bankje zitten.


Overal is God
‘Denkt u dat u spoedig zult sterven?’
Ik schaamde me een beetje dat ik deze vraag had gesteld, maar het was er gewoon uitgeflapt.
‘Vanavond!’
God keek tevreden voor zich uit.
‘Maar wat moet deze wereld dan zonder God?’
Het stemde me allemaal een beetje treurig.
‘Ik leef voort in alles wat je ziet. Ik ben tenslotte de oorsprong.’
De auto’s raasden voorbij, kinderen schreeuwden en ik ergerde me aan al het lawaai.
Maar God stootte me aan.
‘Luister,’ zei hij zacht, ‘heel de aarde jubelt en juicht.’

Toen hoorde ik met andere oren het aanzwellende gejuich van kinderen, grote mensen, dieren, auto’s, machines, de wind, het hele leven: het jubelde dat ze er waren, dat ze er mochten zijn.

12.
heel de aarde jubelt en juicht
wie gelooft wat ik heb mogen horen?
ik leef in de woorden die jij spreekt!

Langs ons bankje rende een kind. Waarschijnlijk op bezoek bij zijn opa of oma. God riep hem bij zijn naam en de jongen kwam direct naar hem toe. ‘Bekijk dit kind eens goed,’ zei God tegen mij. ‘Kijk het eens in de ogen.’
Het kind keek mij blij aan, vol vertrouwen op het leven dat voor hem lag. In zijn ogen zag ik de hele wereld weerspiegeld en toen ik nog beter keek, zag ik de vriendelijke ogen van God.

God gaf het kind een aai over zijn bol en het rende weer vrolijk verder.
‘God is overal, mijn jongen,’ lachte hij, ‘Kom we gaan eten.’

Weer was de stoel verschoven, weer lag er een bloem. Weer werd het eten gedeeld.
God sprak: ‘Als de mensen niet de muren afbreken waarmee ze zich hebben ingebouwd, als ze niet de deuren openen waarachter ze zich hebben opgesloten, als ze niet de waarheid onder ogen zien, dan zal de mens tevergeefs naar vrede zoeken.’

Toen we afscheid namen, wist ik dat ik deze man, die ik zo lief gekregen had, na deze dag niet weer zou zien.
Hij zag waarschijnlijk dat ik een beetje verdrietig keek.
‘Ik zal bij je zijn, tot aan het einde van je dagen, dat beloof ik je. Ga nu en vertel de mensen wat je gezien en gehoord hebt.’

In gedachten liep ik naar huis. Op de een of andere manier was het verdriet van mij afgevallen, de wereld omvatte mij liefdevol en het leek of de avond mij naar huis droeg. Toen ik eindelijk thuis kwam, was het al laat geworden. Iedereen lag op bed. Ik waste mijn handen en mijn gezicht, poetste mijn tanden en keek in de spiegel. Ik keek een poos en zag dat er een traan in mijn oog blonk. Het was waarschijnlijk omdat ik opeens God zag.