god in het gekkenhuis

Mevrouw God en de levende wezens


Als het begin begint creëren meneer en mevrouw God het onzichtbare en het zichtbare. Dat is makkelijker gezegd dan begrepen, want buiten het zichtbare en het onzichtbare is er niets dan alleen meneer en mevrouw God, die overigens al behoorlijk op leeftijd zijn. Omdat ze het zelf ook niet goed begrijpen noemt meneer God het zichtbare aarde en mevrouw God noemt het onzichtbare lucht. De begrenzing van de aarde heet water en die van de lucht heet vuur.
Op het land loopt alles nog behoorlijk door elkaar heen en alles is gehuld in diepe duisternis, maar de gedachten van mevrouw God dwalen al over het water.

Meneer God zegt: ‘Liefste, daar moet toch ergens licht zijn?’
Mevrouw God kijkt eens goed en ja hoor, daar is licht.
Meneer God noemt het licht dag en mevrouw God noemt het duister nacht.
Dan kan het avond worden en het kan weer morgen worden: dag één.

Eigenlijk zou meneer God nu het liefst zijn gaan uitrusten en een heerlijke sigaar roken. Maar mevrouw God wil verder.
‘Eerst ruimen we de boel op en dan nemen we het er van’, zegt ze vast besloten.

‘Maak me maar wakker als we mensen gaan maken’, zegt meneer God en hij sloft naar zijn schommelstoel en valt daar in een diepe slaap.

Komt dat even mooi uit, denkt mevrouw God. Gauw maakt ze de lucht en de aarde totaal anders. Uit het water en vuur maakt ze een prachtige hemel en ze gaat ook direct wat aan de lichtvoorziening doen: ze hangt mooi lichtjes aan de hemel, ze installeert een groot licht voor de dag en een klein licht voor de nacht. Dan gaat ze met de aarde aan de slag. Ze strooit vissen in het water, werpt vogels in de lucht en veegt dieren over de aarde.

Maar de oorspronkelijke, allereerste lucht laat ze intact.
‘Die is voor later’, zegt ze tegen zichzelf.

Dan maakt ze meneer God wakker, zeer tegen zijn zin in.
‘Kom op man,’ zegt ze, ‘laten we mensen maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis’.
‘He? Wat? Is het al weer zo laat?’, geeuwt meneer God. Hij strekt zich helemaal uit en gaapt nog eens hartstochtelijk. Maar dan gaat ook hij aan het werk, want meneer God boetseert graag en hij kan het heel goed.

‘Kijk, liefste’, zegt hij na een tijdje, ‘aan wie doet je dit denken?’
Mevrouw God kijkt met oprechte bewondering: ‘Dat lijk ík wel! En dat daar, dat ben jíj!’
Aandachtig zet God de twee beeldjes in de door mevrouw God in allerijl aangelegde tuin.

‘Nu ik’, zegt mevrouw God. Ze ademt heel voorzichtig de allereerste lucht, die ze opzij had gezet, in de neusgaten van de kleien beeldjes.

Zó en níet anders worden mensen levende wezens.

7.
de stilte zingt een lied voor jou
en god-weet-wie raakt mij aan
lang zocht ik tevergeefs naar jou
zal ik ooit de stilte verstaan?

de stilte zingt een lied voor jou
wat zeker leek gaat voorbij
en in de godverlatenheid
herken ik je, stamel ik: jij?

i: Dames en heren, mag ik een warm applaus voor mevrouw God!
(applaus)
Mevrouw God, welkom.
mg: Dank u wel.
i: Wat doet het met u dat u geen lid van de SGP kunt worden?
mg: Niets. Wat zou het met me moeten doen?
i: Nou ja, u bent én vrouw én god en u mag niet eens lid van uw eigen
club worden.
mg: Ik begrijp ‘eigen club’ niet zo goed. Wat bedoelt u daarmee?
i: Ik bedoel: de SGP is toch een rechtgeaarde, christelijke, Bijbelvastepolitieke partij. U staat daar helemaal centraal.

mg: Ik herken me echter totaal niet in deze vereniging.
i: Begrijpelijk. (lacht)

U hebt het waarschijnlijk meer op met ons vrijzinnigen. Bij ons kunt zonder enig probleem lid worden.
mg: Ik voel me net zo min aangesproken door uw vereniging.
i: Maar vertegenwoordigen wij niet veel meer uw idealen en principes?
mg: Veel meer dan wie?
i: Veel meer dan bijvoorbeeld de orthodoxie. Wij vrijzinnigen zijn tolerant, vrijdenkend en bij ons kan iedereen terecht.
mg: Mag ik u iets vragen?
i: Ja.
mg: Hoeveel daklozen zijn er vanochtend bij in de kerk? Hoeveel armen,
zieken en eenzamen heeft uw gemeenschap de afgelopen week bezocht? Hoeveel vreemdelingen hebt u onderdak gegeven?
i: (zwijgt)

mg: Moet ik nog doorgaan?
i: (schudt het hoofd)
mg: Ik voel me niet thuis bij gemeenschappen die denken dat ik aan hun
kant sta. Ik voel me niet thuis bij gemeenschappen die zogenaamd weten hoe ik denk en wie ik ben.
i: Herkent u zich dan nergens?
mg: Zeker wel, maar ik herken me net zo makkelijk in een oprechte
orthodoxe als in een oprechte vrijzinnige als in een oprechte atheïst.
Het gaat om het doen. Hoe ga je als mens met het leed van de wereld om? Doe je ook daadwerkelijk iets? Of is alles gericht op je eigen verlossing (wat dat ook moge zijn)? Is je liefdadigheid verworden tot het overmaken van geld op een giro?
Kortom, sta je met je voeten in de modder of ben je een van de vele stuurmannen die aan wal staan?
i: Gaat het dan alleen om het doen?
mg: Aan de vruchten herken je de boom.
i: Maar de godervaring dan, het geestelijke... Is dat niet belangrijk?
mg: Het geestelijke zou eigenlijk moeten voortkomen uit de dagelijkse
praktijk. Andersom werkt het meestal niet. Het is natuurlijk fijn als je verlicht bent, maar wat brengt jouw verlichting de hongerige en de dakloze? Kunnen blinden daardoor zien? Worden gevangenen bevrijd?
i: Ik geef toe dat we hier nog wel een weg te gaan hebben. Maar ik wil toch nog even bij dit onderwerp blijven. Kunt u niet een tipje van de sluiter oplichten? Hoe komen we in contact met het goddelijke?
mg: U bent blijkbaar hardhorend: god ontmoet je alleen door en in andere mensen.
i: Maar ik bedoel het goddelijke gevoel, de verlichting zo gezegd.
mg: (lacht) Geloof me, verlichting is een erg overgewaardeerd concept.
Het stelt niet voor. Dat hoeft u maar te vragen aan de mensen die verlicht zijn.
i: Wij proberen in onze gemeenschap met een open blik in de wereld
te staan. Je kunt bij ons terecht voor Boeddha, voor Soefie, voor Keltische rituelen en noem maar op. We zitten niet vastgebakken aan de christelijke tradities.
mg: Volgens mij bent u op zoek naar het einde van de regenboog. U gaat van concept naar concept, consumeert en gaat verder. U bent dol op hypes: is het boeddhisme in, dan gaat uw hele club zich daar mee bezig houden, wordt het natuurreligies, hop, springt men daar weer naar toe. Uw zoeken is vooral veel vinden. Uw vragen leveren vooral veel antwoorden op. Dat is de dood in de pot.
Om een voorbeeld te geven: u laat het concept ‘erfzonde’ achter u en voelt zich, terecht, enorm bevrijd, maar u omarmt daarna net zo makkelijk het concept ‘karma’.
In uw hart bent u blij dat u niet bent als de orthodoxen met hun zwarte oogkleppen op, maar u vergeet dat uw oogkleppen hooguit wat vrolijker beschilderd zijn, maar oogkleppen zijn het en blijven het.

i: U bent wel hard.
mg: Laat ik u dan maar vertellen wat het einde van de regenboog is:
hier, voor uw voeten. Hou toch op met dat reli-hoppen: het koninkrijk van de hemel is hier en nu. En als u toch zo van zoeken houdt, hou dan in ieder geval op met vinden.
Of u nu orthodox of vrijzinnig bent, Christen of atheïst, Boeddhist of Hindoe: verlichting ligt voor uw voeten. Luister maar!
i: (is stil)
mg: (na een poosje) U bent wel stil, maar dat is niet wat ik zei. U moet
luisteren. Ú hoeft niet voor stilte te zorgen, de stilte zal u vinden als u maar luistert.
(stilte)
i: (kucht). Ik heb toch nog een paar vragen.
mg: (knikt)
i: Is het dan toch niet handig om een paar handvatten te hebben, zodat
we wat makkelijker kunnen onthouden dat het eigenlijk allemaal heel simpel is?
mg: Daar is niets op tegen, maar waarom zou u die zo ver zoeken en waarom moet er altijd een zweem van magie om heen zweven?
i: Misschien omdat we zijn uitgekeken op die oude verhalen.
mg: Vertel ze dan opnieuw.
i: Legt u dat eens uit.
mg: U bent opgegroeid in een christelijke traditie. Het zit u zogezegd in
de genen en dat stoort u. Maar met uw reli-hoppen gooit u met het badwater ook het kind weg. En dát, het alles overboord zetten, blijft u daarna steeds weer doen.
Vertel de oude verhalen eens opnieuw, vertel ze anders en luister naar wat de verhalen u nog steeds te vertellen hebben.
i: Vandaag is het Pinksteren. Wat wil dat verhaal ons bijvoorbeeld vertellen? De Heilige Geest die uit de lucht komt vallen? Brandende vurige tongen? Wat moet ik in vredesnaam met dat verhaal?
mg: Luister...
Met Kerst kunt u het verhaal vertellen van de ontmoeting met god in de andere. God wordt mens. Niet één specifiek mens, nee, god laat zogezegd het goddelijke los en is te ontmoeten in de mens om ons heen, in jou en in mij. De ander met zijn noden komt naar jou toe, of je wilt of niet. Wat ga je doen? Is er plaats in je herberg?
Met
Pasen gaat het erom dat de dood niet het laatste woord heeft. Het verhaal vertelt dat de dood niet iets is dat losstaat van het leven, maar dat hij er juist onderdeel van is. Opstanding vindt dagelijks plaats in mensenharten die vermoeid en bedroefd zijn. U bent toch ook wel eens ‘waarlijk opgestaan’, mag ik aannemen?
i: (reageert niet)
mg: Om op uw vraag terug te komen. Pinksteren is het verhaal van de
ontmoeting met het goddelijke. Daar vervallen alle concepten als taal, jij en ik, vrijzinnig en orthodox. Met Pinksteren begint er een ander verhaal, begint er een nieuwe tijd en die hoef je niet ver te zoeken. Die ligt voor je voeten. Luister maar.
(stilte)
i: We hadden ons nog niet voorgesteld.
mg: Hallo, ik ben Lotte.
i: Dag, ik ben Henk.


8.
als een eerste regen na de droogte
als een valwind die de zeilen bol doet staan
als een vuur dat wakkert in de oven
duizend talen die geen mens ooit kon verstaan
water, lucht en vuur
een nieuwe tijd
een ander verhaal