god in het gekkenhuis

Toen God nog een kind was

Toen God nog een kind was dacht hij maar aan een ding: spelen. Omdat God nu eenmaal God was maakte hij voor zichzelf de meest fantastische vormen en kleuren. Het was een voortdurend spektakel en iedereen zou zijn adem hebben ingehouden, als er iemand was geweest natuurlijk. Maar er was niemand. Alleen God, in al zijn vormen en in al zijn kleuren. God ervoer dit als een groot gemis en op een gegeven moment zei hij bij zichzelf: ik wil de vreugde die ik ervaar, maar ook het gemis, delen met iemand, anders is het niet echt.

Omdat hij nu eenmaal God was, snapte hij wel dat je niet voor eeuwig blij of verdrietig kan zijn en dus maakte hij eerst maar eens de tijd. En om echt gelukkig te kunnen zijn en om echt gemis te kunnen voelen, moet je zowel met je hoofd in de wolken kunnen lopen als met beide benen op de grond staan; dus maakte God de hemel en de aarde.
En ergens op een geschikte plek op de aarde legde hij een mooi park aan. Daar maakte hij de vissen, de vogels en de andere dieren.
Nu kan het feest beginnen, zei God, en hij toverde opnieuw de meest fantastische vormen en kleuren. De dieren hielden wel hun adem in, maar verborgen zich voor het spektakel, omdat ze bang waren. Wat God ook probeerde, het veranderde niet: de dieren bleven schichtig en ver van God.

Omdat hij nu eenmaal God was, snapte hij wel dat je alleen iets kunt delen met iemand die een beetje op je lijkt en daarom maakte hij iemand als zijn spiegelbeeld. Die Ander keek God aan en zei: ‘Ik lijk op jou.’ Dat vond God een mooie naam en daarom noemde hij zijn spiegelbeeld: ‘Mens.’
Nu kan het feest ècht beginnen, zei God en hij toverde weer de meest fantastische vormen en kleuren. De mens hield haar adem in. ‘Oooohh,’ zei ze en ‘Waaauw!’ en soms kwam er helemaal geen geluid uit, zo genoot de mens. Ze was een dankbaar publiek: ze vond echt alles mooi wat God deed, zo mooi dat ze God begon op te hemelen. Eerst tegenover God zelf, maar die vond dat een beetje klef. Toen tegenover de dieren, maar die begrepen er niets van. Ze werd een beetje verdrietig omdat ze niemand had om haar gevoelens mee te delen. God zag het en begreep dat de mens te weinig op hem leek om een volwaardige partner te worden. Hij begreep ook dat de mens hetzelfde probleem had als hijzelf.
God zei tegen haar: ‘Ik zal er voor zorgen dat jij iemand krijgt die op jou
lijkt, waar je lief en leed mee kunt delen. Jij zult zijn oorsprong zijn en daarom krijg je een nieuwe naam: Eva, moeder.
Op een dag toen Eva sliep trok God uit haar een nieuw mens, een man. Deze keek naar de slapende vrouw en fluisterde verbaasd: ‘ik lijk op jou.’ ‘Dan noem ik je Adam,’ zei Eva en ze was meteen klaar wakker.
De mensen genoten samen van het spektakel van God. Samen konden ze er na afloop nog uren en dagen over praten.

*


God was nog steeds alleen.


Toen besloot hij om ook lief en leed met iemand te gaan delen. Hij ging slapen en toen ze wakker werden waren ze twee:
Hij keek haar aan en fluisterde: ‘Jij zal mijn licht zijn.’
Zij lachte en noemde hem God en hij noemde haar Lucifer. Ze hadden elkaar lief en samen maakten ze nu nog spectaculairdere, nog meer adembenemende shows.


*


Op een dag zei Lucifer tegen God: ‘Het is niet goed dat die twee daar beneden alleen maar bezig zijn naar onze shows te kijken, om ons vervolgens op te hemelen. Ze moeten maar eens leren met beide benen op de grond te staan.’

God zei: ‘Het is toch goed zo? Iedereen is tevreden.’
Lucifer keek hem aan: ‘Dat is niet wat we oorspronkelijk hadden gepland: lief en leed met elkaar delen. Het een kan niet zonder het ander: ze moeten een vrije wil krijgen, anders blijven het marionetten tot in de eeuwigheid. Je moet ze loslaten, liefje.’
God zei: ‘Ik wil het niet.’
Lucifer dacht: ‘Het moet.’


Op een mooie zwoele zomeravond wandelde Lucifer nadenkend door het park en zag de mensen arm in arm liggen onder een grote boom. Zij kreeg een idee.
Zij fluisterde de man in: ‘De vruchten van deze boom zijn door God verboden en de mens mag daar dus niet van eten.’
Zij fluisterde de vrouw in: ‘Als je de vruchten van deze boom eet, kun je net als God ook prachtige vormen en kleuren maken.’

*


Eva zei tegen Adam:
– Ik heb honger. Zullen we een vrucht eten.
– Dat mag niet.
– Van wie niet?
– Van God niet.
– Daar weet ik anders niets van.
– Dat komt omdat jij hier ook nog niet zo lang bent.
– Hoezo, niet zo lang bent? Ik ben er langer dan jij, man! Jij heet alleen
Adam, omdat je toen je mij zag zei: ik lijk op jou. Maar ik ben de echte oorsprong, de moeder van al wat leeft en daarom heet ik Eva.
– Kan wel zijn, maar God wil niet dat we er aan zitten. Wil jij die prachtige
shows op het spel zetten?
– Als we van de vruchten eten, kunnen we zelf die shows maken.
– Hoe weet jij dat?
– Van God.
– Daar weet ik anders niks van.
– Dat komt omdat je ook niet erg snugger bent.
– Zou je denken?
– Ik weet het wel zeker.
– Kom op dan met die vrucht.

– Ik zal hem half doormidden breken. Alsjeblieft.

– Gedverderrie!
– Het smaakt inderdaad voor geen meter, oei, wat een smerige rotsmaak.
Maar nu moeten we doorzetten, dan kunnen we straks zelf zo’n prachtige show maken.
– Je hebt gelijk.


– Eva.
– Ja Adam.
– Ik voel me niet zo lekker.
– Ik ook niet, Adam.
– Ik heb het zo koud, Eva.
– Kom maar lekker bij mij in mijn arm.

– Je bent lief.
– Jij bent ook lief, Eva, en wat ben je mooi...

*


Toen God en Lucifer weer eens een van hun spectaculaire effectenshow wilden geven, zagen ze dat er geen publiek was komen opdagen. Omdat ze een beetje ongerust waren, besloten ze te gaan kijken. Ze liepen heen en weer door het park.

‘Mensen,’ riepen ze, ‘Waar zijn jullie?’

In de verte hoorden ze een geluid dat ze nog nooit eerder hadden gehoord. Toen ze in die richting waren gelopen zagen zij de twee mensen onder een boom zitten. Het leek wel of de mensen alle twee iets in hun armen hadden. Toen God en Lucifer dichterbij kwamen zagen ze dat het baby’s waren. God keek heel verbaasd, maar Lucifer lachte.

‘Het was wel een gedoe,’ zei Adam
‘En ook een beetje pijnlijk,’ gaf Eva toe, ‘hoewel de een als een bries kwam, ik merkte het niet eens, maar die ander, kwam met groot geweld.’
‘Daarom noemen we deze Abel,’ zei Adam en keek liefdevol naar het pakketje op zijn schoot, ‘en die noemen we Kaïn’ en hij wees naar de baby bij Eva.
‘We hebben de mooiste en de beste show gemaakt die we tot nu toe hebben gezien,’ straalde Eva.

Ze gaf de kleine aan God.
God schommelde het kind op zijn schoot.
‘Och, gôh,’ zei hij vertederd.


*


‘Zonder de mensen is er niet zo veel meer aan,’ verzuchtte God toen hij en Lucifer hand in hand door het park liepen.
‘Misschien moeten we iets anders gaan doen?,’ stelde Lucifer voor.
‘Je bedoelt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde?,’ vroeg God hoopvol.

Lucifer lachte.

‘Ik weet hier nog ergens een vrucht waarvan je op hele ándere gedachten komt.’
En ze gaf God een knipoog.