god in het gekkenhuis

God was nog nooit een kat geweest


God was nog nooit een kat geweest. Onlangs was hij als koe op een veemarkt door zijn vermoeide poten gezakt. Men had nog geprobeerd hem met schoppen en door het toedienen van elektrische schokken in de veewagen te krijgen. God had zijn mond niet open gedaan.
En nu was hij dan een kat. Iets beter gedefinieerd, God was een kitten. Een opgerold balletje wol, behaaglijk liggend tussen broertjes en zusjes, dicht tegen mama aan.

God was ook wel eens een schaap geweest. Wel vaker dan een keer. Maar de laatste keer was hij er goed ziek van geworden. Waarschijnlijk het eten. Het had naar andere dieren gesmaakt en niet naar gras of graan.
Maar een kat, nee, dit was de eerste keer en het beviel God uitstekend. Hij rekte zich eens lekker uit en begon hartstochtelijk te snorren.

‘Ah, got, moet je kijken,’ hoorde hij een warme stem boven zich. De stem herinnerde hem aan iemand. God dacht diep na. Een ezel!, wist hij plotseling. Een ezel. Hij was een ezel geweest. Iemand had hem meegenomen van de plek waar hij stond. Ze hadden wat jassen op hem gelegd en toen was er iemand anders gekomen en die had gezegd, ja het waren precies dezelfde woorden: ‘Ah, got, moet je kijken.’ Toen ging die man op hem zitten en samen waren ze door een juichende menigte geschreden.
God voelde hoe hij voorzichtig werd opgepakt en sloot zijn ogen van genot.
‘Wat een schatje,’ klonk het enthousiast.
‘Wat is het, papa?’ vroeg een kinderstem.
God voelde ogen die onder zijn staartje keken en hij bloosde.
‘Een katertje, een rood katertje.’

God was nog nooit een kat geweest, maar hij had wel vaker een kater gehad. Die weinige keren dat hij als mens op deze aarde had rondgelopen stonden niet erg positief in zijn geheugen gegrift. Eén keer een dood aan het kruis en diverse malen in de goot. Leven als mens eindigde meestal met een kater, wist God.

‘Ik vind hem mooi pap,’ klonk de vrolijke kinderstem weer.
‘We nemen hem jongen.’
Wat God zo op prijs stelde bij deze aangelegenheid was de onvoorwaardelijke liefde die hij bij de vader en de zoon voelde. God was ook wel eens een kakkerlak geweest of een rat en daarbij had hij alleen maar haat en afschuw ondervonden. Terwijl God de kakkerlak als een van de topstukken van zijn schepping beschouwde, zo ingenieus, zo simpel, konden de mensen er maar weinig tot geen waardering voor opbrengen.

‘Kijk, papa,’ riep het kind plotseling, ‘wat een mooie zwarte.’ Met een ruk opende God zijn ogen en keek snel naar de plek waar de kleine jongen naartoe wees. Een klein zwart katje was uit een hoekje tevoorschijn gekomen en keek met een brutaal gezichtje de wereld in. Satan, wist God meteen. Zijn oude en vertrouwde metgezel hier op aarde, die hem altijd in moeilijkheden bracht. De uitdager in de woestijn, de inquisiteur, de veehandelaar en nu, nota bene, zijn broertje.
Satan was blijkbaar wél vaker een kat geweest, want het kostte hem maar weinig moeite om alle aandacht naar zich toe te trekken. De vader legde God weer voorzichtig bij de moeder en bukte zich voorover om het kleine zwarte katje te pakken.
’Ik wil die,’ klonk het jongetje smekend.
Het zwarte katertje stak zijn roze tongetje uit naar God.
‘Ah got,’ zei de vader, ‘wat een schatje.’

Later op de middag toen God heerlijk lag te slapen, kwamen de boer en zijn vrouw.
‘Vanavond nog moet je die kleintjes verzuipen, man,’ zei de vrouw. ‘We hebben al veel te veel van die rotkatten rondlopen en vandaag is er maar één van die mormels verkocht.’

De boer knikte.

De volgende dag was God een hond. God was nog nooit een hond geweest en zeker niet een bruine labrador. Hij was natuurlijk wel weer de jongste, de kleinste en de zwakste van het hele stel. De anderen verdrongen hem bij het drinken. Het hok stonk verschrikkelijk.
De eigenaren wilden met weinig moeite veel geld verdienen. Om niet van de honger om te komen at God de uitwerpselen van zijn broertjes en zusjes. Het zag er weer eens heel slecht uit voor God.

En toen gebeurde er voor het eerst in het leven van God hier op aarde een wonder. Op het laatste moment, net voordat hij het loodje wilde leggen, kwamen mijn vrouw en kinderen en namen hem mee. En als ik hem inmiddels niet naar het asiel heb gebracht, leeft hij hier nog lang en gelukkig.