god in het gekkenhuis

Hij komt, hij komt


Het is de eerste woensdag van de maand en God, zijn zoon en Satan genieten van hun maandelijkse scrabbleavond. Satan heeft zojuist een woord gelegd en telt vergenoegd de punten.
‘Wederkomst. Dat is dan 3 maal de 5 +1 +2 +1 +2 + driemaal de 3+1+2+2 maakt 35 punten, en dat met twee letters,’ hij lacht voldaan naar de anderen.

God knikt afwezig en zegt half in zich zelf en half tegen zijn zoon:
‘Wederkomst... wat was dat ook al weer met jouw wederkomst?.’
Jezus bloost. ‘Ach dat is een beetje miscommunicatie geweest tussen de mensen en mij.’

Satan trekt zijn wenkbrauwen op.
‘Miscommunicatie,’ zegt hij nadenkend, ‘dat levert toch al gauw 34 punten op. Nou leg dat dan maar eens neer, dat geloof ik zomaar niet.’
‘Nee,’ zegt Jezus,’ dat was vroeger. Miscommunicatie. Omdat ik gezegd heb: ik kom gauw weer. Maar ja, ik dacht in termen van eeuwigheid en de mensen in termen van dagen. Ik bedoel, laten we wel zijn: ik ben net weer thuis, dit is koud mijn tweede scrabbleavond, dan ga ik toch niet nu al weer weg?’

God strijkt bedachtzaam door zijn baard.
‘Ja, maar voor de mensen duurt jouw ‘net weer thuis’ al bijna tweeduizend jaar.’
Jezus slaat zijn ogen neer en sputtert: ‘Het is ook zo verdomde moeilijk om met die mensen te communiceren. Het lijkt wel of ze soms opzettelijk mijn woorden verkeerd uitleggen of, nog erger, ze juist helemaal negeren.’
‘Klopt!,’ roept Satan, ‘Het is een zooitje ongeregeld die mensen van jou, mijn beste,’ en hij kijkt God grijnzend aan.
‘Nou, nou, nou, zo kan die wel weer,’ moppert God, ‘alsof jij altijd zo braaf bent. Ik wil je wel even herinneren aan dat gedoe hier bij het begin van de schepping. Je weet wel, toen je zogenaamd in opstand kwam.’
‘Ja...,’ begint Satan zachtjes, maar God onderbreekt hem.
‘Jij en jouw vriendjes hebben er toen een echte puinhoop van gemaakt. Nog afgezien van de troonzaal, die ik geheel en al opnieuw heb moeten scheppen, heeft het ons een enorme slechte publiciteit opgeleverd. Nog steeds denken de mensen op aarde dat wij ruzie met elkaar hebben en dat er in de hemel een absolute verdeling is tussen goed en kwaad. Negatieve
zaken spreken zich gauw rond, moet je weten en dat is bij de mensen niet anders.’
‘Goed, goed, goed!,’ zegt Satan met gebogen hoofd. ‘Zullen we het niet meer over de mensen hebben. Als dat onderwerp hier op tafel komt lijkt het wel of we nog steeds ruzie hebben.’

‘Dan proberen we ons maar in te houden,’ antwoordde God kortaf, ‘Ik wil weten hoe dat zit met die wederkomst van mijn zoon.’

Jezus schuifelt wat ongemakkelijk heen en weer. ‘Wat moet ik doen?’
‘Afspraak is afspraak!,’ zegt God resoluut, ‘Zo hebben je moeder en ik je opgevoed.’
‘Maar hoe stelt u zich dat dan voor, vader?’

‘Tja,’ God haalt zijn schouders op, ‘weet ik veel. Teruggaan lijkt me zo moeilijk niet.’
‘En wat ga ik daar dan doen?’
‘Ja, Jezus, weet ik veel. Wat heb je ze beloofd?’

‘Ik? Niks. Gewoon dat ik terugkom. Je weet wel: tot ziens: tot het moment dat we elkaar weer zien. Ik heb geen idee wat ik daar zou moeten doen. Alles is al gezegd, alles is al gedaan.’
Satan begint interesse in de zaak te krijgen.

‘Jongen, wat dénken die mensen dan dat je komt doen?

Het is een lange tijd stil.


‘Ze...,’ begint Jezus voorzichtig, ‘ze denken dat ik de vrede kom brengen en dat ik als koning zal regeren, of dat ú dat doet, vader, dat is me eigenlijk niet helemaal duidelijk.’
‘Vrede brengen?,’ Satan grinnikt.
‘Lach niet!,’ zegt God bits, ‘Zie je niet hoe wanhopig de mensen zijn. Ze zijn zo ver afgedwaald van zich zelf, dat al hun zelfvertrouwen weg is. Ze denken dat de vrede van buiten moet komen. Een Goddelijk ingrijpen, een deus ex machina.’

Satan schenkt de glazen nog eens vol en kijkt God ernstig aan: ‘Goede vriend, dat is ook een beetje jouw schuld. Wie had het er ooit over dat hij een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zou maken? Wie had het er over dat hij de tranen zou wissen en dat hij het kwade zou vernietigen?’
‘Ja, maar man,’ roept God wanhopig uit, ‘dat was toch beeldspraak, dat was toch poëzie. Het moet toch duidelijk zijn dat het de bedoeling is dat de mensen zelf een nieuwe hemel en een nieuwe aarde gaan maken en elkanders tranen gaan drogen en zelf voor de vrede gaan zorgen!’
‘Tja,’ zegt Satan fijntjes, ‘miscommunicatie?’

Jezus veert op. ‘Ja vader, ziet u nou hoe moeilijk het is om de mensen iets uit te leggen?’
God legt zijn hand op de hand van zijn zoon en zegt zacht: ‘Daarom was ik er ook niet zo’n groot voorstander van dat jij naar de aarde zou gaan. Als de boodschap niet van binnenuit komt, raken mensen altijd in de war. Dat was al bij de eerste mens zo. Mijn schuld. Ik geef het toe. Ik had er op moeten vertrouwen dat zij zelf wel zouden weten wat ze wel en niet moesten doen. Maar ik moest zo nodig zeggen dat die ene boom niet zo’n goed idee was.’
‘En ik,’ voegt Satan glimlachend toe, ‘heb ze toen maar gezegd dat het juist een prima idee was. Gewoon om jouw bezorgdheid weer te corrigeren.’
God zucht. ‘Dat corrigeren heeft het alleen maar erger gemaakt. Maar zoals ik al zei: het was mijn schuld.’
‘Gelukkig geeft hij het eindelijk toe,’ zegt Satan theatraal.

‘Wilt u mij niet helpen, vader?,’ bedelt Jezus.
‘Ja!,’ roept Satan, ‘Kom laten we die puinhoop daar beneden eens grondig gaan opruimen. Ik doe mee.’
‘Wat stel je voor, jongen?’
‘Ik dacht,’ begint Jezus, ‘aangezien we niet weten wat een eventuele wederkomst zal bewerkstelligen, dat het misschien goed zou zijn om eerst een kleine try-out te organiseren.’
God knikt instemmend.
Jezus haalt opgelucht adem en vervolgt: ‘Het is gauw Sinterklaas, een soort wederkomstfeest in een klein, onbelangrijk landje Nederland. We zouden in deze try-out als Sint en Piet naar de aarde kunnen gaan en dan kijken wat dat oplevert.’
‘Geweldig!’ Satan staat op en heft het glas. ‘Mag ik dan Sinterklaas zijn?’
‘Geen denken aan!,’ roepen God en Jezus tegelijkertijd.
Satan gaat weer zitten. ‘Ik wil niet zwarte Piet zijn,’ mokt hij, ‘Ik wil ook eens wit zijn.’
‘Prima,’ zegt Jezus, ‘Dan mag u de schimmel zijn, oom Satan.’
God schiet in de lach.
‘En ik,’ gaat Jezus onverstoord verder, ‘ik wil me graag dienend opstellen, dus word ik Zwarte Piet. Met uw baard, vader, lijkt u sowieso het meest op Sinterklaas.’

Satan knikt en zegt: ‘Goed dan, laten we het maar proberen.

God heft zijn hand op en schudt zijn hoofd. ‘Nee, we doen het niet.’
Satan kijkt hem verbaasd aan. ‘Niet?’
‘Jongens, denk toch eens na. Stel je eens voor dat we als Sinterklaas zouden gaan. Wat komen we in hemelsnaam doen? Cadeautjes brengen? Wat voor cadeautjes dan? En daarna, als de cadeautjes zijn uitgedeeld, worden we dan weer uitgezwaaid? Nog afgezien van het feit dat het wel een héél fout feest is, waarin het blanke ras wordt verheerlijkt ten koste van het zwarte.’

‘Ja,’ beaamt Satan, ‘en dan hebben we het nog niet eens over de rol van het paard gehad.’

‘Heeft er iemand een beter voorstel dan?,’ vraagt Jezus moedeloos.
‘Ik weet misschien wel wat.’ Satan kijkt triomfantelijk rond. ‘Tweeduizendtwaalf,’ zegt hij dan geheimzinnig.
Jezus kijkt bedenkelijk: ‘2012? U bedoelt, oom Satan, dat we de aarde gewoon opblazen?’

Satans gezicht klaart op: ‘Geen gek idee, jongen, maar daar zou je vader het beslist niet mee eens zijn. Nee ik bedoel, de andere variant van 2012: transformatie. Ik had het zo bedacht: We passen het computerprogramma van de mensen aan, resetten de hele boel in 2012 en dan is iedereen opeens vredevol. Het lam ligt bij de leeuw, het kind speelt met de adder, peis en vree, halleluja en zo maar door. Bovendien komt niemand dan nog op het idee dat jij weer naar de aarde terug moet komen. Als je vader mij de passwords geeft, heb ik dat programma zo aangepast.’

God slaat met zijn vuist op tafel.
‘Om den drommel niet!,’ roept hij ontdaan. ‘Je wilt robots van de arme mensen maken. Robots die precies doen wat wij willen. Wezenloze wezens. Dan had ik Noach ook niet hoeven te redden. Nee, makker, blaas dan de boel maar direct op.’
‘Ook goed,’ bromt Satan.

God ademt eens diep door en komt langzaam weer tot rust.

‘Wat jullie blijkbaar niet willen zien is dat echte vrede in je hart moet beginnen. De mensen zijn er zo op gericht dat alle hulp van buiten komt, dat dit simpele idee maar moeilijk wil aarden. Kijk ze toch eens: Ze eten het verkeerde eten, roken en drinken, hebben enorme stress en dan moeten er doktoren aan te pas komen om alles weer in evenwicht te brengen. Ze zitten de hele dag, internetten, kijken video’s, spelen games en dan moet een gedragstherapeut ze weer normaal maken. Ze liegen en bedriegen, onderdrukken de ander en voeren oorlogen en dan moet ik er aan te pas komen om het allemaal weer goed te maken.’
Jezus en Satan horen ademloos toe.
‘Jullie oplossingen werken niet, je kan de vrede niet cadeau doen, die moeten mensen zelf ontdekken. Je kan de mensen ook niet van buiten af transformeren, dan heeft de vrede geen nut: okay, er is dan wel geen oorlog meer, maar er is ook geen vrede, omdat de mensen het goede niet bewust hebben gekozen.’

‘Ik geef het op,’ zegt Satan, ‘laten we gewoon weer gaan scrabbelen. Als we toch niet mogen ingrijpen dan heeft deze hele discussie geen nut. Jezus, jij bent aan de beurt.’
Jezus kijkt vragend naar God.

‘Heeft oom Satan gelijk, vader? Heeft het eigenlijk allemaal geen zin?’

God kijkt in de verte en glimlacht.

‘Ach jongens. Wij bestaan op dit moment bij de gratie van de mens. Een mens schrijft een verhaal en anderen lezen het. Ze lachen er om of worden boos, zijn ontdaan of voelen zich geborgen. Het is niet zo dat de mens afhankelijk is van God, nee, wij zijn afhankelijk van de mens. Zonder de mens hadden we niet onze enorm gezellige scrabbleavonden. We leven in dit verhaal en in andere verhalen. Het is niet onze wil die geschiedt, maar die van de mensen die ons bedenken.’
Satan vult het glas van God nog eens bij.
‘Hier dat heb je wel nodig,’ fluistert hij.
‘Feitelijk is er maar een ding dat we kunnen doen,’ vervolgt God en neemt een slok, ‘iets wat wel en niet ingrijpt in het bestaan van de mensen.’
Satan en Jezus hangen aan zijn lippen.

‘Zien jullie het dan niet?,’ vraagt God en hij lacht voluit.
Satan en Jezus kijken elkaar niet begrijpend aan.


God leegt zijn glas, staat op en zegt:’ We stappen uit het verhaal.’


Satan kijkt naar de fles en zegt: ‘Goeie wijn, enigszins onvoorspelbaar. Maar nu even serieus, ouwe vriend. Jij beweert dat niet wij de touwtjes in
de handen hebben, maar de mensen? Je bedoelt dat alles wat ik doe, laten we het zo zeggen, voorbestemd is. Alles wat ik doe is in scrabble termen niet meer dan 22 punten waard?’
‘Ja,’ zegt God, ‘en desondanks kunnen we, hoewel we volledig gebonden zijn aan een menselijk script, toch die mensen vooruithelpen. Dat is toch geweldig?’

Jezus kijkt naar zijn lege glas.
‘Vader, ik snap er even niets meer van. Bedoelt u dat ik nooit op aarde ben geweest. Nooit geboren ben en ook nooit gekruisigd en nooit opgestaan?’
‘Ja en nee, jongen. Het antwoord op jouw vraag is tevens de oplossing van je wederkomst en de oplossing van waar mensen zo hevig naar verlangen: het vindt allemaal in hun harten plaats. Daar ben je geboren, gestorven, begraven en opgestaan. Dat is wat de mensen hebben ontdekt. Het speelt zich in hun harten af. De transformatie komt van binnenuit. Precies zoals ik het me altijd heb voorgesteld.’

‘Je bedoelt,’ verbetert Satan hem, ‘precies zoals de mens het zich altijd heeft voorgesteld.’
God knikt.

‘Ik begin het te snappen, ouwe.’ Satan schenkt de fles leeg in de glazen op tafel. ‘Ik wil graag nog een toast uitbrengen voor we, zoals jij voorstelt, uit het verhaal stappen.’
Ze heffen de glazen en Satan zegt: ‘We zullen elkaar vast wel weer ontmoeten aan de overkant. En mochten we ooit weer samen scrabble spelen dan weet ik nu al een fantastisch woord...’