god in het gekkenhuis

God is dood, lang leve god!
GIG 3

Eergisteren is god dan eindelijk gestorven. Hij was nog een jonge man, begin dertig, en zat tegenover me in de trein. Het begon een beetje te schemeren. Ik had net voor de reis begon een eenvoudig broodje gekocht en een koffie, die de verkoper in een dubbel bekertje had gedaan vanwege de temperatuur. Ik sprak met een bekende naast me, over het wel en wee in de wereld. Over het lijden van zo velen, over de haat die overwint en over de liefde die het veld ruimt en over de verpletterende afwezigheid van God.
‘Wat is er dan gebeurd?,’ vroeg god, toen de bekende was uitgestapt en de trein weer verder reed..
Ik keek hem meewarig aan. ’Komt u van een andere planeet of zo, dat u niet weet wat er de laatste tijd gebeurt? Aanslagen in naam van God, vergelding in naam van God, geweld... En u weet daar niets van?’ God leek bedroefd.

‘Alles is schijn,’ zei hij, ‘maar alles is ook levensecht. Een kind dat zijn pop verliest en een koning die zijn troon verliest zijn gebeurtenissen van Het zelfde formaat.’
’Mark Twain?,’ raadde ik. God knikte glimlachend.

‘Maar waarom houdt het leed niet op?’ vroeg ik, omdat ik hoopte dat hij misschien het antwoord wist.
Toen de trein weer vaart begon te minderen maakte god aanstalten om uit te stappen en verder te gaan.

‘Blijf bij me, meneer,’ vroeg ik, ‘want het wordt al donker.’

13.
wie zegt dat je verder moet
waarom blijf je niet
waarom laat je mij alleen
in dit verdriet

blijf bij mij
donker dreigt de nacht

alles gaat zoals het gaat
is zoals het is

is er geen ontkomen aan
de duisternis
blijf bij mij
donker dreigt de nacht

hoe het leven verder gaat
zonder jou en mij
zelfs de niet te vatten leegte
gaat voorbij
gaat voorbij
gaat voorbij
alles gaat voorbij

God nam mijn brood en brak het. Het was alsof het leven zelf uiteenreet. Alsof ik gescheiden werd van mijn dierbaarste, eigenste ik. Met moeite kon ik een kreet onderdrukken.
Hij gaf mij een stuk en zei: ‘Hier, dit ben ik, eet maar.’

Hoewel ik niet begreep wat er zo-even was gebeurd, nam ik het aan en begon te eten. God keek me aan en glimlachte. Opeens realiseerde ik me dat ik van niets gescheiden was, dat er niets gescheiden is, dat alles een is. Ik ervoer bij elke hap die ik nam, dat ik het hele brood at, het hele universum en god zelf. Ik zag dat het hele leven uit concepten bestond: mijn en dijn, dood en leven, waarheid en leugen. Alles schijn, mooie schijn.
En terwijl god een beetje stierf, wist ik dat ik vrij was. ‘Ik ben vrij,’ juichte het door mij heen.

14.
barre oorlog, vrede naakt:
ik ben vrij
vastgeklonken, losgemaakt:
ik ben vrij

oppermachtig, licht geraakt:
ik ben vrij

God verdeelde de koffie over de twee bekers. Hij gaf me de ene beker en zei: ‘Hier, dit ben ik, drink maar.’
Met een dankbaar hart nam ik het aan en dronk. En terwijl de warme drank door mijn lichaam vloeide wist ik dat, hoewel alles schijn is, alles ook levensecht is: alles is gescheiden, er is mijn en dijn, er is dood en leven, er is waarheid en leugen. Alles is levensecht en toch ook niet. Alles
is schijn en toch ook niet. Alle uitersten zijn gebeurtenissen van het zelfde formaat.
En terwijl god verder stierf wist ik dat ik vrij was. ‘Ik ben vrij,’ juichte het door mij heen.

14.
klare hemel, bange nacht:
ik ben vrij
lichte tunnel, donker gat:
ik ben vrij

zeker weten, zo verward:
ik ben vrij

Ik vroeg me af hoe het nu verder moest. Maar god was al gestorven. Voor mij gestorven. Vlak voor me. Eigenlijk tegenover me. God was waarlijk dood.
En toen ik uitstapte kon ik god eindelijk begroeten in alle mensen die ik tegenkwam. Want god leeft: neem dat nou maar van me aan.