god in het gekkenhuis

god in het gekkenhuis – deel 2


vlieg, vogel, vlieg
Naarmate de tijd verstrijkt blijven er steeds minder bewoners over in ‘De Hof van Eden.’

Op een mooie zomeravond zingt Rivka Stern, doordringender dan ooit, het Lied van de Ochtendster.

9.
in deze diepe donkere nacht roep ik jou
luister toch naar mij
ik verlang naar jou
vergeef me dat ik zo naar jou verlang
meer dan naar de morgen
nog meer dan naar de morgen
verlang ik naar jou

Na afloop zet ze zich met god op het bankje bij de vijver in het park en zegt tegen hem: ‘Nu ben ik voorbij het verlangen.’ Samen genieten ze zwijgend van de lome stilte in het park. Als het frisser wordt en zij een beetje huivert, doet god zijn jasje uit en legt het behoedzaam over haar tengere schouders. Ze glimlacht.
‘Mag ik onder je vleugels schuilen?,’ vraagt ze zacht.
God knikt.
‘Ik zal altijd bij je zijn, Rivka,’ antwoordt hij.

Dan sluit ze haar ogen.

‘Het voelt alsof ik water ben dat, na eeuwen opgesloten te zijn geweest, nu weer mag stromen,’ fluistert ze, ‘en het is goed zo!’

God slaat zijn arm om haar heen en voelt hoe het leven haar lichaam verlaat.

10.
het water zal altijd stromen
de liefde vindt altijd haar weg


de begrafenis
De begrafenis is een sobere bijeenkomst die geleid wordt door Paulus.
‘Rivka,’ begint hij, ‘was een vrouw getekend door een verleden vol pijn: een verscheurend litteken. Elke avond toonde ze ons hoe groot haar lijden was. Ze deed dit zonder te klagen. Ze vroeg alleen aandacht voor het lijden. Toen, op een dag, kon ze voorbij het lijden gaan, voorbij het verlangen om terug te keren naar een eerdaags paradijs. Haar taak was volbracht en zij kon sterven.

Graag wil ik jullie woorden voorlezen, woorden van weleer, die ooit aan de oevers van een meer geklonken moeten hebben:

Wat een kans als je wereld beperkt is: de hemel is op aarde
Wat een kans als je verdriet hebt: troost is overal
Wat een kans als je vriendelijk bent: alles en iedereen behoort jou toe
Wat een kans als je mededogen kent: mededogen kent jou
Wat een kans als je los kan laten: je bent vrij
Wat een kans als je de vrede verder brengt: je bent één met iedereen
Wat een kans als je getekend bent voor het leven: de hemel is op aarde


Wat een kans als de mensen je beledigen, vervolgen en tegen je liegen: wees blij! wees blij! op deze aarde kan je de hemel ervaren’

Eva kijkt nors voor zich heen, maar god glimlacht.


stroom verder
Na de begrafenis verzamelen de bewoners zich bij de vijver.
God heeft een kunstig klein bootje geknutseld. Op het bootje brandt een kaarsje. Heel voorzichtig zet hij het bootje op het water en blaast het zachtjes van de oever weg.
De bewoners staan hand in hand om de vijver.

Eva zingt:

11.
stroom verder, blijf niet staan
stroom naar de oceaan
wolken en regen, zon en wind
steeds weer opnieuw, mijn kind
stroom tot je vrede vindt

ontwaken uit de waan
nu mag je verder gaan
voorbij de woorden van weleer
de oevers van het meer
ontwaken keer op keer

licht dat het duister kust
kind in het schemer rust
licht dat het meeneemt bij de hand
stroom naar de overkant
licht op het verre strand

alleen over
Op een dag is Mozes verdwenen. Van het ene moment op het andere. Sommige bewoners hebben hem nog in de tuin zien wandelen, maar ineens is hij er niet meer. Ze zoeken met zijn allen de hele tuin af. De politie kamt de omgeving uit, maar Mozes wordt niet meer gevonden.

De overige bewoners verlaten ieder op een andere manier het huis. Als een van de laatsten vertrekt ook Paulus.

Ten slotte zijn alleen Eva en god nog over in ‘De hof van Eden.’

het slotakkoord
‘Ik heb zitten denken.’ zegt Eva op een avond tegen god, als ze in het park op een bankje bij de vijver zitten, ‘Wat is het einde van alles wat bestaat? Ik denk soms te weten dat dit hele leven een uniek lied is en dat we samen met andere mensen, dieren en dingen dit lied, dat we bestaan noemen, zingen. Zeg eens god, houdt dat lied ooit op? Is het een cassettebandje dat, eenmaal aan het einde gekomen, prompt weer bij het begin begint? Wat is je bedoeling eigenlijk geweest met je oorzaak, gevolg en vrije wil? Een eeuwig durend circustheater? Is er een slotakkoord aan deze symfonie?’

God denkt diep na.
Hij ziet het hele gedoe met zijn schepping voor zich, de mensen die zo vaak niet willen deugen, het concept dat goed is en de uitwerking die ook hem steeds opnieuw verrassend overvalt.

‘Dit spektakel gaat door zolang er oorzaak en gevolg zijn,’ zegt hij. ‘Het ingebouwde slotakkoord is de vrije wil. We mogen uiteindelijk, vrijwillig, ophouden met reageren. We kunnen de keten van haat en geweld stoppen, maar ook die van verlangen en begeerte. Als we tot inzicht komen dat er niets te verlangen is, dat alles goed is, zoals het is, dan lost alles op in alles. Dan zijn er geen jij en ik meer, geen object en subject, dan is er alleen nog zijn: misschien is dat het slotakkoord dat jij bedoelt, maar het kan ook net zo goed een openingsakkoord zijn. Daar gaan we voorbij redeneren en begrijpen.’

Eva staart voor zich uit. ‘Niet meer reageren? Dat klinkt als niet betrokken, als onverschillig, als liefdeloos.’

God zwijgt een moment en zegt dan: ‘Ik denk dat Paulus het juist liefde zou hebben genoemd.’


herfst
Het wordt herfst. De bladeren vallen van de bomen. God voelt dat zijn einde niet ver meer is.
Op een dag komt hij niet uit zijn bed. Eva laat een dokter komen. Die onderzoekt hem kort en zegt dan tegen Eva: ‘De man is op.’

Eva kijkt hem vragend aan.
‘Versleten,’ vervolgt de arts, ‘hoe oud is hij?’
‘Minstens zo oud als de wereld.’ antwoordt ze.
‘Zo komt hij mij ook voor,’ zegt hij. ‘Hij zal wel een hartstilstand krijgen. Niet meer reanimeren zou ik zeggen. U hoeft geen 112 te bellen.’
Geschokt kijk Eva hem aan. ‘Dat..d..dat is onmenselijk! Ik kan hem toch niet gewoon opgeven?’ De arts haalt zijn schouders op. ‘’t Is mooi geweest, mevrouw. Hij is op een respectabele leeftijd gekomen en nu is hij op.’

Hij pakt zijn tas en verlaat het huis.

‘Eva...’ Gods stem klinkt moe en zacht, maar ook licht en helder.
Eva pakt een stoel en gaat bij god aan het bed zitten.
‘Wat een nare man!,’ zegt ze boos.
‘Eva, niet boos zijn. Niet reageren. Het is goed zo. Mijn dood mag niet een aanleiding zijn om de keten van oorzaak en gevolg opnieuw van energie te voorzien. Laat me uitdoven. Laat er geen verlangen en geen begeerte meer naar mij zijn.’

Eva schudt vastberaden haar hoofd.
‘Dat is toch onmogelijk!,’ roept ze luid.
God glimlacht.
‘Wanneer de uitdager aan de deur van je hart staat en je verdriet of boosheid of oprechte verontwaardiging wil opdringen, zeg dan elke keer:
wat een kans om vrede te vinden. Bedenk dat het litteken van een mens, zijn allerdiepste pijn en verdriet, een geheime maar wel directe verbinding kan zijn naar de echte vrede.’
God kijkt Eva aan.
‘Je hebt me van elke bewoner zijn of haar verhaal vertelt, lieve Eva. Vertel nu jouw verhaal.’


Eva’s verhaal
Een moment aarzelt ze, maar dan pakt ze gods hand vast en begint te vertellen.

’Ik had een zoon. Nee ik had twee zonen.
De een sloeg de ander dood en het bloed van de doodgeslagene schreeuwde naar de hemel. De hemel gaf geen antwoord.
De dader heb ik voorgoed verstoten.
Maar waar begint een verhaal. Dit verhaal begint bij mijn vader die dit kind bij mij heeft verwekt. Mijn eigen vader. Ik was nog zo jong. Ik was zo in de war. Ik noemde het kind Storm, omdat ik niet meer tot rust kon komen als ik in de ogen van die jongen keek. Toch heb ik, toen ik van huis ben weggelopen, het kind meegenomen.
Ik ben kort daarop getrouwd en ons eerste kind was het gevolg van echte hartstochtelijke liefde. Ik wist niet dat die bestond. Ik was nog zo jong. Ik was zo in de war.

Ik noemde de kleine Bries, omdat ik steeds tot rust kwam als ik in de ogen van die jongen keek.
En toen kwam mijn vader weer in mijn leven en daarmee ook in het leven van de beide jongens. Maar die vader hield nota bene van Bries en niet van zijn eigen Storm. En dat liet hij de jongens merken ook. Dat is de oorzaak, en dat is het gevolg. En gaat dit nou steeds op deze manier door? De een, die niet geliefd werd door zijn vader noch door zijn moeder, sloeg de ander, de geliefde, dood.‘

Lange tijd is het stil.

Als god spreekt, wordt de stilte niet verbroken. Het lijkt alsof zijn stem en de stilte één zijn.
‘Eva,’ zegt god, ‘hoor je wat de stilte je toeroept?’ Traag schudt Eva haar hoofd.

‘Ze roept: wat een kans. Wat een kans, om echte vrede te vinden.
Als je huilt, huil dan over je zelf. Zoek het verwarde kind diep in je en neem het in je armen en zeg het dat het niet haar schuld is. Wieg haar
in je armen, het kind in jezelf, en zeg haar dat zij deze zinloze keten van oorzaak en gevolg kan doorbreken.’ God kijkt haar aan. ‘Dit is een kans, Eva. Je weet waar hij is. Ga nu en zoek je zoon.’

Storm
Eva weet waar ze haar zoon kan vinden.
Hij zwerft al zijn hele leven dicht bij haar in de buurt rond. Toen ze destijds in de Hof van Eden is gekomen, heeft Paulus hem de toegang tot het gebouw ontzegd. Maar hier buiten, ergens in de buurt, moet hij wonen.
Eva staat voor het eerst in jaren buiten de omheining van het gebouw. Onwennig kijkt ze de wijde wereld in. Overal rijden auto’s en bewegen mensenmassa’s zich voort. Er staan ontelbare huizen en er zijn zoveel hoge flatgebouwen.

Dan maakt zich een figuur los uit de hectische buitenwereld en dwarrelt als een herfstig blad van een verre boom naar haar toe. Het is Storm. Zwart als de nacht, wild als een onrustig wakkerende vlam. Op zijn voorhoofd zit een litteken dat, als een weerzinwekkende zweer, zijn medemensen al een eeuwigheid op een afstand houd.
Onhandig steekt zijn moeder haar handen uit. Hij pakt ze, zacht en liefdevol. Zwijgend staan ze tegenover elkaar. De moeder en het kind dat haar overkwam.

Liefde en haat stormen door haar hoofd: de vader, het breekbare meisje en het verschrikkelijke geheim. De eeuwig durende keten van oorzaak en gevolg.
Dan weet ze dat dit een einde moet nemen.
Wat een kans!
Ze trekt de schuwe jongen naar zich toe en kust hem op zijn voorhoofd, op het brandende teken.

De storm in haar hoofd gaat liggen.
Haar geest wordt helder en ze ziet Storm, alsof ze hem voor het eerst ziet.

Zijn litteken is verdwenen.

‘Mijn zoon,’ fluistert ze.


god sterft
‘Het voelt alsof ik water ben dat, na eeuwen opgesloten te zijn geweest, nu weer mag stromen,’ denkt god, ‘en het is goed zo!’ God richt zich op zijn zij en voelt hoe het leven zijn lichaam verlaat.

god sterft
god dooft uit
god is niet meer
tijdloos moment
pijn omarmd
keten verbroken
leven
zoals het is

wie gelooft wat wij hebben gehoord?

12.
niemand weet hoe breekbaar ik ben
wie kent mij, zoals jij mij kent?
elke dag vernieuw je mij volledig
jij bent één met alles wat ik doe
heel de aarde jubelt en juicht
heel de aarde jubelt en juicht
wie gelooft wat ik heb mogen horen?
ik leef in de woorden die jij spreekt!

niemand weet hoe breekbaar jij bent
wie kent jou, zoals ik jou ken?
elk moment vernieuwen wij volledig
wij zijn één met alles wat wij doen
heel de aarde jubelt en juicht

heel de aarde jubelt en juicht
wie gelooft wat jij hebt mogen horen?
jij woont in de woorden die ik zing!