god in het gekkenhuis

Voorwoord

Eep Talstra

Hervertellen van bijbelse thema’s is ‘in.’ De ervaringen en vragen van de ‘spelers’ in de bijbelse verhalen opnieuw vertellen, is steeds belangrijker aan het worden, nu de meesten van ons liever niet meer in beweringen en stellingen over God en mensen willen horen, maar er behoefte aan hebben om de belevenissen, de conflicten en de liefdes van bijbelse personages verhalenderwijs mee te maken. Daarom is het een goed idee dat Henk Harmsen de verhalen die hij in de eerste plaats in de vieringen en bijeenkomsten van zijn geloofsgemeenschap vertelde, nu heeft gebundeld. Het zijn vrolijke, ontroerende en in allerlei opzichten ook hele alledaagse vertellingen geworden, waarin Adam, Abraham, God, Eva, de Tegenstander (Satan) en een hele reeks medespelers onbekommerd door elkaar heen lopen.

Nu ja, onbekommerd: Ik schrijf ‘God,’ met een hoofdletter. Henk Harmsen doet dat soms ook, maar ook heel vaak niet, als om aan te geven dat de ‘god’ die in zijn verhalen meespeelt, een stuk alledaagser is dan die van de kerkelijke tradities. En daar zouden we het nog heel lang over kunnen hebben. Ik had het Henk nog zo gevraagd: ‘Wil je dat echt wel, een gereformeerde dominee die een voorwoord bij jouw verhalen schrijft?’ ‘Ja zeker,’ was het directe antwoord. Bij zo veel vertrouwen ben je als beroepstheoloog in een keer ontwapend. De exegetische professie moet dan maar even in de wachtstand. Dat het een kwestie van vertrouwen is, werd me nog veel meer duidelijk toen ik de bundel verhalen las en aan het einde het niet zo fraaie image van de gereformeerde traditie tegenkwam: in
Het grote los-laat-verhaal en in de overdenking onder de titel ‘Bevrijding’ van Op weg.
Maar, wat minstens zo belangrijk is, met het woord ‘vertrouwen’ zijn we wel meteen midden in de wereld van deze verhalen terecht gekomen. Dat was, na een poosje lezen, voor mij wel een verrassing. Aanvankelijk dacht ik dat Henk in zijn verhalen vooral bezig was om ons als mensen te rehabiliteren tegenover de almachtige God van veel christelijke tradities. Want heel regelmatig discussiëren de bijbelse en de wat minder bijbelse personages in zijn verhalen over de status van de mens en over de vrije wil die mensen hebben: ze kunnen het leven verwoesten, maar ze kunnen het ook niet doen. Ze hebben pijn en ze kunnen ook genieten, ze leven het leven. En de God in de verhalen van Henk Harmsen heeft bedacht, dat je alleen zo echte mensen kunt scheppen, met een vrije wil, zodat ze ook echte verantwoordelijkheid gaan dragen. Dat thema van de vrije wil komt steeds weer terug. (Toen God nog een kind was, god in het gekkenhuis deel 1 en 2, Midden in de winternacht, Een nieuwe missie) Maar net toen ik tot de conclusie was gekomen dat Henk Harmsen en ik als de oude Arminius en Gomarus maar eens een excursie naar Dordrecht1 moesten ondernemen, ontdekte ik dat onder die nadruk op de vrije wil bij mensen nog iets anders schuil ging: vertrouwen. Vertrouwen dat het leven, in alle pijn en vreugde, werkelijk te leven valt en dat het bij het thema van de vrije wil niet gaat om een vorm van concurrentie met de schepper van hemel en aarde. De vrije wil heeft zin omdat een mens vertrouwen kan dat hij of zij bij het maken van keuzes in het leven niet het noodlot in gang zet. Het interview met Abraham (Een goed gesprek), waarin de ‘vader van alle gelovigen,’ door zijn ervaringen wijs geworden, nog eens terugblikt op het drama van het bijna-offer van Izaäk roert op een gegeven moment heel intensief het thema ‘vertrouwen’ aan en wordt het woord zelfs zes keer gebruikt. De test in Genesis 22 was niet een test in religieuze discipline, maar, zo had Abraham later begrepen, een test in vertrouwen, zelfvertrouwen. Betekent godsdienst immers niet vooral een debat met God over hoe een mens zelf voor het leven kan kiezen en ophouden zich te laten sturen?

Maar ik moet zeggen, levensmoed in de stijl Arminius gaat wel ver. Zelfs na het aardse leven, aldus
Het verhaal aan de hemelpoort, houdt het maken van keuzes niet op. Je kunt nog steeds kiezen: òf voor een hemel die je gegarandeerd geeft wat jij graag wilt, maar dan wel uitloopt op gelukzalige saaiheid, òf voor de toegang tot een nieuw leven met nieuwe uitdagingen, waarin je zelf in het volste vertrouwen dat het kan, je eigen weg weer gaat. Opvallend: hier vlak na de hemelpoort is de vrije wil niet meer het thema, maar des te meer is dat het vertrouwen ‘dat je zult krijgen wat je nodig hebt.’ Is er dan ook een grens aan het territorium van Arminius?
Zulke grote spanningsbogen maken de verhalen in hun opeenvolging uitdagend. Dat geldt van de rol van de mens, hetzelfde geldt ook van de positie van God (of god) in zijn eigen kosmische plan. Is hij/zij deel van de schepping, zoals in Op het woele-wijde water en in god in het gekkenhuis, waar hij scherp wordt ondervraagd door Eva? Of is hij degene die juist geen deel is van de schepping en het lijden van mensen niet uit eigen ervaring kent, zoals in Een bijna-leven-ervaring in zijn gesprek met Dietrich Bonhoeffer? En was God wel alleen een personage in het verhaal door mensen bedacht, als hij ook kan besluiten eruit te stappen, zoals in Hij komt, hij komt?

Kennelijk vallen er altijd gaten in ons navertellen over God en mensen. Of je dat gegeven zo fantasierijk en vrijmoedig kunt uitbuiten als dat in deze vertellingen gebeurt, dat wordt nog een interessante discussie. Als ik de professionele exegeet en de gereformeerde dominee in mij even weer uit de wachtstand haal, weet ik niet of ik de bijbel zó zou kunnen hervertellen. Maar dat bewaren we voor onze excursie naar Dordrecht. Want intussen heb ik als lezer wel veel bijzonders meegemaakt. In deze vertellingen is alle ruimte voor emotie en crisis zonder dat die wordt opgelost door direct iemand aansprakelijk te stellen, òf God, òf mens. In de traditionele benadering van het christelijk geloof als ‘leer’ was daar eigenlijk geen ruimte voor. Ten onrechte, want het is een bijbels gegeven, vooral in de profetie: God die zich overvallen, gekwetst en vernederd
kan voelen, precies zo als mensen2. Voor mij illustreren de verhalen van Henk Harmsen het belang van een tegenstem en van de ruimte voor experiment. Het betekent, opnieuw leren hoezeer de verhalen in de bijbel niet op religieuze vanzelfsprekendheden berusten, maar op bewuste keuzes. De verhalen in deze bundel zijn een uitdaging om het eens andersom te proberen: hoe zou het zijn gegaan als God niet dit, maar wel dat had gezegd?

Ik kan de lezers aanbevelen zich ook te laten uitdagen door de verhalende herindeling van de klassieke rollen in de hemel en op de aarde. Voor mij was de winst dat ik de klassieke rol van God in de bijbel als uitdager van de mensen weer als nieuw begon te ervaren. Maar je moet dan ook eerst durven loslaten, zou Henk zeggen.


Prof. dr. Eep Talstra is hoogleraar Oude Testament aan de Vrije Universiteit van Amsterdam











1 Arminius en Gomarus waren twee vroeg-17e eeuwse Nederlandse theologen die onenigheid hadden over de rol van de ‘vrije wil’ in de zgn. ‘uitverkiezingleer.’ De Synode van Dordrecht heeft uiteindelijk voor de opvatting van Gomarus gekozen als de rechte gereformeerde leer. De volgelingen van Arminius richtten in 1617 de Remonstrantse Broederschap op.

2 E. Talstra, ‘Over vrees en ontzag, angst en respect,’ Schrift 240 (40/6 dec. 2008), 193-196