god in het gekkenhuis

Vader en zoon


Op een goede dag ontmoetten God en Adam elkaar ergens onderweg tussen hemel en aarde. Ze hadden elkaar sinds die ene bewuste dag in het Paradijs niet meer gesproken en ze merkten, al pratende, dat er toch bij beiden wel enige behoefte was om de gebeurtenissen van toen nog eens grondig te evalueren. God stelde voor om samen een trapistje te gaan drinken in Café “De slangenkuil”. Ze werden met enigszins onvriendelijk gesis begroet door de eigenaar, een slang, die niet onder stoelen en banken stak dat hij hen bepaald niet mocht.
‘Twee trapistjes graag,’ zei God. De slang schuifelde naar achteren. ‘Hoe is het met Eva,’ vroeg God aan Adam.
‘Ach,’ zei Adam, ‘de opvoeding van onze eerste twee kinderen is niet zo goed gelukt.’
‘Zoiets heb ik ook wel eens meegemaakt,’ grijnsde God. Hij nam de twee trapistjes aan die de slang met behendig manoeuvreren had opgehaald. God keek het dier peinzend aan.
‘Heb jij helemaal geen handen en voeten?,’ vroeg hij toen verbaasd. De slang hapte naar adem, maakte aanstalten iets te zeggen, maar schudde toen geërgerd zijn hoofd en schuifelde, in zichzelf sissend, weer naar achteren.
God en Adam vulden hun glazen en God lachte gul: ‘Nou... op je gezondheid.’
‘Op jouw gezondheid,’ lachte Adam.
Hun glazen klonken kristalhelder.

‘Ja,’ zei Adam langzaam, ‘Eva. Ze is wel feministischer geworden en ze is zich zeer bewust van haar oorsprong.’
‘Oh,’ zei God, ‘ze is dus erg gelovig.’
‘Zo zou ik het niet willen noemen,’ zei Adam, ‘ze leidt een vrouwenpraatgroep en is er van overtuigd dat jij een vrouw bent.’

God blies het schuim uit zijn baard. ‘En wat nog meer?’ bromde hij.
‘Nou,’ ging Adam door, ‘sinds ze weet heeft van de laatste wetenschappelijke ontdekking dat de mens oorspronkelijk uit Afrika stamt, heeft ze rastavlechtjes laten zetten en dat staat haar mooi, moet ik eerlijk zeggen.’

Ze zaten een poosje zwijgend naast elkaar.
‘Je moet me toch eens zeggen,’ zei God en sloeg een arm om Adam heen, ‘wat je nu van jezelf de grootste daad van liefde voor mij vond en wat je van mij de grootste daad van liefde voor jou vond?’
Adam keek hem aan en zei: ‘Okay, maar dan moet jij die vraag daarna ook beantwoorden.’

God knikte.
Adam dacht na en zei toen: ‘Mijn grootste daad van liefde voor jou was denk ik toch wel dat ik die mega-opdracht van jou heb uitgevoerd om alle dieren een naam te geven. God allemachtig, kon je nog wat ergers verzinnen?’
God bloosde en zei: ‘Ik dacht dan verveelt ie zich niet zo en het houdt hem van de straat.’
Adam nam nog een slok en vervolgde: ‘In mijn ogen was jouw grootste liefdesdaad voor mij, dat jij mij geschapen hebt.’

Het was even stil.

‘Mmm,’ zei God. ‘Nu ik. Jouw grootste liefdesdaad voor mij was dat jij gegeten hebt van de boom van kennis van goed en kwaad.’
Adam verslikte zich en proestte een slok bier uit.
‘Neem me niet kwalijk,’ verontschuldigde hij zich, ‘maar daardoor is toch al die narigheid gekomen, omdat wij nou uitgerekend zo’n mies appeltje aten en, wat waarschijnlijk het belangrijkste is, dat mocht niet van jou.’ ‘Mocht niet van mij?’ vroeg God lachend.

Hij fronste zijn wenkbrauwen en zei: ‘Als iemand in het midden van een schitterende tuin een boom zet met prachtige vruchten om te zien dan vraag je, nee dan schreeuw je er toch om dat ze worden geplukt en worden opgegeten.’
‘Dus,’ reageerde Adam verbijsterd, ‘niet naar jou luisteren heb jij als een daad van liefde ervaren?’
‘Ja,’ zei God, ‘Ik vond het prachtig. Mijn kinderen waren volwassen geworden.’

Het bleef weer even stil.
‘Is het misschien mogelijk,’ begon Adam, ‘om dit soort achtergrondinformatie in een wat vroeger stadium met alle betrokkenen te communiceren?’
‘Mmm,’ zei God. ‘Maar jullie hadden zelf zo’n slecht geweten dat jullie je voor mij gingen verstoppen.’
‘Jouw idee van “oorzaak en gevolg”,’ lachte Adam, ‘komt niet helemaal overeen met dat van mij. Maar vertel nu nog snel wat, zoals jij de zaken
ziet, jouw grootste liefdesdaad voor mij was.’
‘Oh,’ zei God, ‘dat is heel makkelijk. Mijn grootste liefdesdaad voor jou was dat, toen jij die appel plukte, ik je gewoon heb laten eten.’

‘Heren,’ klonk het geïrriteerd van achter de bar, ‘we gaan sluiten.’
‘Ik betaal!,’ zei God.
‘Nee, laat mij nou maar.’ Adam wierp een paar munten op de toonbank.

‘Laat maar zitten,’ zei hij tegen de slang.
God en Adam liepen naar buiten.
‘Ik ken hem ergens van,’ sprak God in zichzelf, ‘het lijkt me geen beroerde gozer. Maar wat was dat nou met zijn handen en voeten,’ mijmerde hij voor zich heen.
Op een kruispunt, waar hun wegen zich weer zouden scheiden, namen God en Adam afscheid.
‘Dag jongen! ’
‘Dag pap! Wat zal ik Eva zeggen?’
God dacht na.
Zijn lange witte baard wapperde in de wind.
Toen lachte hij en zei: ‘Zeg maar dat je moeder hebt gesproken.’