god in het gekkenhuis

Bij de brandende braamstruik


Er was eens een herder, hij heette Mozes en hij liet zijn schapen grazen in de woestijn. Waarom in de woestijn en niet op grazige weiden, doet hier even niet ter zake. Op een mooie dag zag Mozes in de verte een brandende braamstruik. Niets bijzonders, ware het niet dat het leek alsof de struik maar niet verteerde. Mozes wilde er het zijne van weten. Terwijl zijn schapen driftig op zoek bleven naar een stukje eetbaar groen, kuierde hij op zijn gemak naar het kleine spektakel. Toen hij heel dicht bij was, klonk er een luide stem: ‘Schoenen uit, jongen, ik heb net geboend!’

Dat was te zien, het was heel proper en netjes rondom de brandende braamstruik. Terwijl Mozes zijn schoenen uitdeed vroeg hij: ‘Met wie heb ik het genoegen?’
‘Ik kan je mijn naam niet noemen, want dan zou je het niet begrijpen,’ zei de stem.
‘Je zou het kunnen proberen.’
‘Okay. Wat vind je van mijn telefooncel?,’ vroeg de stem.
‘Telefooncel?’
‘Ja, dat ding waar je naar zit te kijken,’ zei de stem.
‘Dat is een brandende braamstruik,’ zei Mozes verwonderd.
‘Dat bedoel ik nou,’ zei de stem, ‘Ik zeg je dat het een telefooncel is, maar jij weet niet wat een telefooncel is en daarom zeg je dat het een brandende braamstruik is. Zo gaat het ook als ik je mijn naam zeg: je zou het niet begrijpen. Maar ik zal het voor je vertalen. Als een telefooncel voor jou een brandende braamstruik is, dan stel ik mij zelf voor aan jou als ... God.’
‘Welke God?,’ vroeg Mozes. ‘Die van Abraham, of die van Izaak of die van Jakob?’
‘Laten we zeggen,’ zei de stem, ‘voor het gemak: van allemaal.’
‘O,’ zei Mozes, ‘en wat is dat met die brandende braamstruik?’
‘Als je daar midden in gaat staan en de hoorn opneemt kunnen we met elkaar praten’
‘Ik dacht dat we al met elkaar praatten.’
‘Ja, maar dit is mobiel, dat is veel te kostbaar. Ga nou maar in de telefooncel, ik bedoel de brandende braamstruik.’
Mozes had inmiddels zijn schoenen uit en liep voorzichtig op de braamstruik af, die verblindend schitterde in de zon.
‘Daar is een deur,’ zei God.
Mozes ging naar binnen. Het was enorm heet en hij verwonderde zich
zeer, want hij verbrandde niet.
Na enige uitleg nam hij de hoorn van de haak.
‘Wacht even,’ zei God, ‘Wat was ook al weer mijn nummer? Shit! Dat komt, ik gebruik het zelf nooit, weet je. Was het 666... nee, dat is van dingetje daar beneden, ehm. Oh ja. 10565. Ja, goed zo. Ik hoor de telefoon hier overgaan. Wacht even, ik verbreek nu de mobiele verbinding.’

Bij de brandende braamstruik
door Rachèl Harmsen

Even later hoorde Mozes God door de hoorn.
‘Fijn dat je even belt, Mozes.’
‘Geen probleem,’ zei Mozes, ‘ik was toch in de buurt.’
‘Punt is,’ zei God, ‘ik krijg nogal wat noodoproepen binnen van jouw mensen, de Israëlieten. Het gaat niet zo best met hen. Onderdrukt door ene Farao. Ik wilde daar maar eens een einde aanmaken en jij, Mozes, mag ze dat gaan vertellen. Ik maak ze allemaal vrij en dan gaan we met zijn allen naar een mooi land om daar in vrede en vrijheid met elkaar te wonen. Nou wat denk je er van.’
‘Dacht het niet, God,’ antwoordde Mozes, ‘Ik ben een gewone herder. Ik kan geen volk toespreken.’
De telefoon kraakte. Eventjes later hoorde Mozes een hemelse stem die zei: ‘De verbinding is verbroken. U wordt verzocht het nummer opnieuw te draaien.’

Inmiddels was God in zijn hemels paleis druk in overleg met aartsengel Gabriël.
‘Dat zal nog een hele toer worden,’ sprak de engel, ‘Als dit volgens jou al de slimste is, dan wordt dat nog wat met de rest. Laten we je plan eens even doornemen.’

‘Plan?,’ vroeg God.
‘Ja, het bevrijdingsplan,’ zei Gabriël. ‘Hoe ga je het aanpakken? Hoe krijg je die mensen weg uit Egypte? Wat ga je dan doen? Ze zullen de woestijn in moeten, maar daar kunnen ze ook niet blijven. Dus hoe dacht je het allemaal te organiseren?’
‘Gewoon,’ zei God, ‘Een beetje improviseren. Eerst maar eens netjes vragen aan die Farao en als dat niet lukt dan lijkt mij geweld geoorloofd.’
Gabriël keek hem zwijgend aan.
‘En dan,’ ging God verder, ‘dan gaan we op zoek naar een of ander land.’
‘En dat wordt?,’ vroeg Gabriël zacht.
‘Tja,’ God krabde zich achter de oren, ‘wat is er zoal in de aanbieding?’
‘Niks,’ zei Gabriël, ‘alles is al bezet of onbewoonbaar.’
‘En Kanaän dan,’ probeerde God.
‘Daar wonen de Palestijnen.’

‘Hmm, en is daar niet plaats genoeg?’
Gabriël keek op zijn computerscherm. ‘Tja, je hebt er nog wat moerassen en wat steppenland waar je wel wat mee zou kunnen.’
‘Mooi, dat is dan geregeld,’ zei God.
‘En als de Palestijnen niet willen?,’ vroeg Gabriël.
God dacht na.
‘Hoe heet die God van Kanaän eigenlijk,’ vroeg hij.
‘Eens even kijken.’ Gabriël tuurde op zijn scherm. ‘Ah, hier staat ... maar ik weet niet hoe je het uit moet spreken ... Jé-Há-Wé-Há.’
‘Mooi,’ zei God, ‘heb ik gelijk een naam die ik kan communiceren met die Mozes. Als hij en zijn volk dan in Kanaän aankomen en ze komen tot de ontdekking dat zij de zelfde God hebben als de Palestijnen, nou dan komt alles vast wel goed.’
‘Wat ga je die Mozes vertellen wat die naam betekent?’
‘Nou zoiets als: ik ben die ik ben.’
‘Maar dat is een heel ander werkwoord, met hele andere letters,’ protesteerde Gabriël.
De telefoon ging weer over.
‘Luister,’ zei God ongeduldig, ‘het is een herder, hij kan niet eens lezen.’
‘Dat betwijfel ik,’ zuchtte Gabriël, ‘Hij is opgeleid aan het Egyptische hof.’
De telefoon rinkelde ongeduldig.
‘Goed punt,’ zei God. ‘Daar improviseer ik nog wel wat.’
Hij nam de hoorn op. ‘Ja beste man, ik ben het weer. Wat zeg je? Ja, het komt af en toe voor dat de verbinding wegvalt.’

Mozes hoorde het plan van God aan.
‘Kanaän dus,’ zei hij. ‘Dan moeten we met het hele volk dwars door de woestijn. We zullen allemaal omkomen, zo zonder water en zonder eten.’
‘Ik zorg voor levend water en hemels brood,’ verzekerde God hem.
‘Dus ik neem mijn broer mee en ga naar de Farao,’ vatte Mozes het gesprek samen, ‘Maar hoe blijven we met jou in contact? Heb je soms nog meer telefooncellen her en der staan?’
‘Nee, neem die twee mobieltjes maar mee,’ zei God. ‘Dat is makkelijker.’
‘Mobieltjes?,’ Mozes keek om zich heen ‘Je bedoelt die stenen tafelen daar?’
‘Voor mijn part,’ zuchtte God, ‘Als je er maar voorzichtig mee doet en er niet mee gaat smijten, ze zijn nogal breekbaar.’ Toen legde hij de hoorn op de haak.

‘Ik heb nog eens zitten kijken,’ zei Gabriël die zijn scherm nog steeds nauwkeurig bestudeerde ‘Heb je er rekening mee gehouden dat er een enorme zee op hun route ligt?
’ God liep vermoeid naar de deur.
‘Ga je mee naar buiten voor een rookoffer?,’ vroeg hij.

‘Nee,’ zei Gabriël beslist, ‘Ik ben al een paar weken gestopt.’