god in het gekkenhuis

Veger en Rooie


Ik sta aan de voet van de Franse Alpen. Ik kom vanuit Geneve. Het is al 8 uur ’s Avonds. Morgen om 12 uur moet ik in Nice zijn om mijn familie van het vliegveld af te halen. Ik wil proberen om vanavond nog door de Alpen heen te komen en daarna ergens een hotel te zoeken. Dan lukt het morgenvroeg wel. Ik rij en merk dat het een moeilijke rit is: veel bochten, veel klimwerk en in geen velden of wegen een stad te bekennen en het wordt nog behoorlijk mistig ook. Dan word ik ingehaald door een andere auto. Hij stopt 50 meter voor me. Een raampje gaat open en een hand wenkt me te volgen. Ik rij achter de auto aan. We gaan hard. Wat is dat voor een auto? Wie zitten daarin? Als ik het gas een beetje terugneem, gaat de andere auto ook zachter. Het wordt nog mistiger. Bij elke bocht geeft de auto duidelijke signalen dat ik moet oppassen. De auto leidt mij door de bergen, zoals een moederkloek haar kuikens leidt. Op deze manier gaan we wel twee keer zo snel door de Alpen als toen ik nog alleen reed.

Na 4 uur rijden komen we in een plaatsje, aan de rand van de Alpen. De auto rijdt een parkeerterrein op. Ik parkeer mijn auto en loop naar mijn reddende engelen toe om ze te bedanken. Dan rijdt de auto met gierende banden weg. Ik heb de auto nooit weer gezien.
Voor mij waren het engelen. Misschien is het verhaal aan de andere kant heel anders. Wie weet waren het opgeschoten jongelui, die mij eerst een beetje wilden tarten, maar het daarna behoorlijk benauwd kregen omdat ik ze maar bleef volgen.
Aan de ene kant: dát verhaal is voor mij niet zo interessant: voor mij functioneerden ze als (en waren het dus) engelen. Voor mij was het een daad van God. Ik vond om 12 uur ‘s nachts nog een hotelletje en kon om 8 uur ‘s morgens uitgerust weer vertrekken en was op tijd in Nice.
Aan de andere kant: engelen zijn mensen en kennen wij de God die zich openbaart in de geschiedenis ook niet alleen maar door mensen?
Het nu volgende verhaal vertelt over ontmoetingen met God. Althans zo werden ze beleefd door de ene partij terwijl de andere partij (die de Godservaring vertegenwoordigde) een heel ander verhaal kent. Dat andere verhaal wil ik hier belichten: het verhaal dat ik in mijn engelenervaring niet zo interessant vond. Niet om het originele Bijbelverhaal te kleineren, maar om duidelijk te maken dat God ontmoeten betekent: mensen ontmoeten. Abraham begreep dat niet bij het offeren van Isaac, Isaac begreep dat niet toen hij Jakob de zegen wilde ontzeggen ten gunste van Ezau.

Jakob begreep het uiteindelijk pas toen hij Ezau na een jarenlange zwerftocht opnieuw ontmoette, hem in de ogen keek en wist dat hij daarvoor God ontmoet had, net als hij nu Ezau ontmoette.

15.
ik weet niet welke kracht mij brengt op deze plaats
ik weet niet welke kracht mijn breekbaar leven draagt
en hoe, met welke naam, ik haar bekleden zal
het einde van de tijd, de oorsprong van het al

zij, die de reiziger zijn pas versnellen doet
ruim voor het onweer hem luid donderend begroet,
maakt dat een stervende, voordat de dood hem haalt,
zo vol van leven en zo vol van schoonheid straalt

ik weet niet welke kracht ons brengt op deze plaats
ik weet niet welke kracht ons breekbaar leven draagt
meer dan een voorgevoel, maar niemand die haar ziet,
wij ondergaan haar als ons eigen levenslied

Een moeder baart twee kinderen. Het lijkt wel een gevecht wie er het eerst naar buiten mag komen. Ze komen zo snel achter elkaar dat de vroedvrouw later zal zeggen dat de tweede de enkel van de eerste vast hield en dat de eerste daar hartstochtelijk om moest huilen.
De vader loopt heen en weer buiten op de gang en hoort het gehuil van de eerste. Zijn bezorgde gezicht klaart op en hij denkt: geweldig, een kind dat laat horen hoe het er over denkt. En hij moet weer denken aan zijn eigen zwijgzaamheid op het moment dat zijn godsdienstwaanzinnige vader hem bijna had geslacht. Als een lam had hij daar stil en gebonden gelegen op de brandstapel.
Maar dit kind, denkt de jonge vader trots, brult als een leeuw: hij zal zijn belagers verscheuren!

De vader wordt naar binnen geroepen en krijgt zijn twee zonen in de armen gedrukt. Wat een verschil: het lijken wel twee wezentjes van verschillende planeten. De eerste is harig over zijn hele lichaam en op zijn hoofd heeft hij zelfs al een paar centimeter haar. Hij maakt lawaai en is zeer levendig. De tweede daarentegen is helemaal kaal, zegt niet veel en beweegt ook bijna niet. De vader noemt de eerste ‘Ruwe’ en de tweede noemt hij ‘Gladde.’

Ruwe en Gladde groeien onder gelukkige omstandigheden op. Ruwe is de lieveling van papa en Gladde is de lieveling van mama. Ruwe is avontuurlijk, klimt in bomen en doet gevaarlijke dingen. Hij is ononderbroken smerig en maakt altijd lawaai. Gladde is netjes, hij helpt zijn moeder in de keuken, maakt af en toe een wandeling en blijft altijd schoon.

Ruwe en Gladde kunnen goed met elkaar opschieten. Vaak, als Ruwe na een lange avontuurlijke tocht uitgeput en hongerig naar huis komt, maakt Gladde een heerlijke maaltijd waar ze samen met plezier van smullen. Daarna brengt Gladde een bordje naar zijn moeder en Ruwe brengt een bordje naar zijn vader. Vaak, als Ruwe weer eens gewond thuis komt, verzorgt Gladde hem liefdevol.
Ze rennen veel en doen altijd wedstrijdje wie er het eerst weer thuis is. Ruwe wint het bijna altijd met een half metertje voorsprong en Gladde duikt daarom op het laatste moment naar Ruwe, grijpt zijn enkel en samen rollebollen ze over de finish. Ruwe vindt het moment dat hij onderuit gehaald wordt het allerleukste. Hij drukt zijn broer daarna tegen zich aan en zegt: ‘jij bent een veger, broertje.’
Gladde kijkt naar zijn broer, naar diens krullende rode haar overal op zijn lichaam en de rode huid en zegt lachend: Rooie. En zo blijven ze elkaar noemen: Veger en Rooie.
Het geluk dreigt wreed verstoord te worden als op een avond Rooie en Veger samen voor het huis in de avondzon zitten te genieten van elkaars aanwezigheid.

‘Weet jij wat er gebeurt als vader sterft?,’ vraagt Rooie.
‘Geen idee,’ zegt Veger, ‘Nooit over nagedacht.’
‘Nou,’ zegt Rooie, ‘dan word ik de baas van dit alles.’
‘Hoe kom je daar bij?,’ vraagt Veger, enigszins verward.
‘Dat heeft papa mij verteld,’ zegt Rooie.

Ze laten het onderwerp voor wat het is. ’s Avonds loopt Veger bij zijn moeder binnen en vraagt haar:
‘Mama, krijgt Rooie later alles, als papa dood gaat?’
Zijn moeder kijkt hem geschrokken aan: ‘Hoe kom je daarbij, jongen?’
‘Rooie zegt het en hij heeft het van papa gehoord.’

‘Je broer heet Ruwe. En heeft hij je dit verteld?’
Veger knikt. Zijn moeder komt bij hem zitten.
‘Ik zal je wat vertellen, jongen,’ zegt ze. ‘Je vader heeft vroeger wat
vreselijks meegemaakt als kind. Zijn vader moest hem in opdracht van God slachten.’
Vegers mond valt open.
‘En heeft opa dat gedaan?,’ vraagt hij.

‘Op het laatste moment is alles goed gekomen. Ik weet niet welke kracht je grootvader tegengehouden heeft, je vader heeft het in ieder geval overleefd. Maar sinds die tijd heeft hij een allergie tegen alles wat met God te maken heeft.’
‘Maar wat heeft dat hiermee te maken?,’ vraagt Veger.
‘Vlak voordat jullie geboren werden ben ik bij een ziener, een man van God, geweest en die voorspelde dat ik twee zonen zou baren en dat de oudste de jongste zou dienen. Toen je vader dit hoorde was zijn enige reactie: de oudste zal alles krijgen, dat is het eerstgeboorterecht.’

Het is stil en Veger staart in de verte. Na een poosje zegt hij: ‘Dan zal ik het eerstgeboorterecht moeten verwerven.’

Op een dag komt Rooie na een lange barre tocht weer eens totaal uitgeput naar huis. Veger is bezig een heerlijke maaltijd te koken. Maar wat duurt het lang. Rooie loopt rusteloos heen en weer. Dan stapt hij de keuken in en werpt een blik op de dampende ketel. Er borrelt wat glanzend roods en de geur is goddelijk.
‘Hee, Veger, geef me van dat rooie, dat rooie daar!’
Veger kijkt hem sluw aan en zegt: ’zullen we mijn soep ruilen voor jouw eerstgeboorterecht?’
‘Veger, broertje, ik ga dood van de honger. Wat moet ik met mijn eerstgeboorterecht als ik dood ben?’
‘Is het dan afgesproken?,’ vraagt Veger.
‘Afgesproken!,’ zegt Rooie en hij stort zich op de soep.
Na afloop gaat hij naar Veger en drukt hem tegen zich aan. ‘Jij bent een echte veger, broertje,’ zegt hij lachend.

Zo gaan de jaren voorbij. Vader en moeder worden steeds ouder. Vader kan steeds moeilijker zien en op den duur is hij blind geworden. Vader voelt dat zijn einde niet meer lang op zich laat wachten en op een dag roept hij zijn oudste zoon bij zich. Rooie komt binnen en gaat bij zijn vader zitten.
‘Ruwe, ik denk dat ik het niet lang meer maak en daarom wil ik nu graag alle administratieve rompslomp van mijn testament regelen. Omdat jij het eerstgeboorterecht hebt, en in dit land telt dat recht, wil ik je volgens de regels mijn zegen geven en daarmee alles wat ik bezit op jou overdragen. Het lijkt me leuk om dat met een gezamenlijke maaltijd te doen. Jij brengt me af en toe van dat heerlijke eten. Dus, als je nu eens gaat jagen en dat wat je vangt toebereidt, dan kunnen we terwijl we lekker eten alle zaken regelen.’
‘Ik zal het doen, vader,’ zegt Rooie en verlaat de kamer.

We zullen het nooit weten hoe het moeder ter ore is gekomen, misschien heeft ze achter de deur zitten luisteren, misschien heeft Ruwe het zijn moeder wel verteld, hoe dan ook, de moeder weet het en laat Veger direct bij zich komen.
‘Je vader wenst zich te houden aan de wetten van het land en niet aan de opdracht van God. Hij wil je broer vanmiddag de zegen geven.’
‘Maar ik heb het eerstgeboorterecht van hem afgekocht,’ roept Veger.
De moeder lacht: ‘Lieverd, dat kan niet. Eerstgeboorterecht is voor degene die het eerste geboren wordt. Maar de zegen is voor degene die hem ontvangt. We moeten er daarom voor zorgen dat jij hem krijgt en niet je broer. Je vader is blind, dus dat werkt in ons voordeel.’

‘In ons voordeel?,’ briest Veger, ‘Rooie kan je al van een kilometer afstand ruiken. Je kan met je handen voelen dat hij het is met al zijn haar. Kijk eens: ik ben zo kaal als wat. En verder heeft hij een andere stem: donker, grommend, terwijl ik een hoge zachte stem heb.’
‘Ik zorg daar wel voor, maak jij maar wat lekkers klaar,’ zegt de moeder. Ze rommelt wat in haar laden en loopt naar haar man.
‘Hier liefste,’ zegt ze, ‘je medicijnen.’ Ze geeft hem wat kruiden met wat water. Als ze ziet dat hij alles op heeft loopt ze naar de stallen, neemt een schapenvacht mee en wat schapenpoep en loopt dan naar de keuken waar Veger druk doende is een fantastische maaltijd te toveren.

‘Jongen,’ zegt ze, ‘je vader heeft wat gedronken waardoor hij wat luchtiger in dit leven staat. Hij zal je niet herkennen.’ Ze knipt een paar stukken schapenvacht uit en bindt dat om de armen en om het hoofd van Veger. Ten slotte veegt ze ook nog wat schapenpoep op zijn huid en kleren.
‘Mijn stem,’ zegt Veger.

‘Daar zal hij niet op letten,’ verzekert zijn moeder hem.

Veger voelt zich opgelaten als hij de kamer van zijn vader binnenkomt. ‘Wie is daar,’ klinkt de stem van zijn vader.
‘Ik ben het, Roo..eh...Ruwe, vader. Ik heb een heerlijke maaltijd bereid, zodat u mij de zegen kunt geven.’

Zijn vader snuift de welriekende geur van het eten op en zegt: ‘Kom eens dichterbij jongen, je klinkt zo als je broer.’
Veger gaat naast zijn vader zitten en die voelt met zijn handen over de armen en het gezicht van zijn zoon.
‘Je voelt als Ruwe en je klinkt als Gladde,’ lacht vader. Hij snuift nog een keer. ‘En je ruikt ook als Ruwe. Laten we maar gaan eten.’

O, wat gaat het eten tergend langzaam. Veger is enorm onrustig en schuift heen en weer en op en neer op zijn stoel.
‘Je bent in ieder geval nog net zo ongedurig als toen je een baby was,’ lacht zijn vader. ‘Wat een heerlijk eten, jongen. Kom hier en kniel neer op de grond, dan zal ik je zegenen.’

Veger knielt bevend neer.
Vader legt zijn handen op het hoofd van Veger.
‘Zoon, jij krijgt alles wat mij toebehoort. Al het geluk wat mij is toegewenst door mijn vader geef ik nu door aan jou, alle bezittingen die ik van mijn vader gekregen heb en de bezittingen die ik erbij verworven heb geef ik nu door aan jou, je broer zal jou dienen, dit land zal jou toebehoren. Niets of niemand kan deze zegen meer ongedaan maken. Zelfs God niet.’
Vader leunt langzaam achterover en dommelt in slaap. Veger sluipt de kamer uit.

In de verte hoort hij zijn broer luidruchtig zingend terugkomen. Veger rent naar zijn moeder.
‘Ik heb de zegen, maar Rooie komt terug. Als hij het merkt zal hij mij ombrengen!’

‘Ach dat zal wel meevallen. Ga maar een tijdje bij mijn broer Witte wonen aan de andere kant van de woestijn. Als je broer weer rustig is, laat ik je wel halen.’

Veel tijd om spulletjes in te pakken heeft Veger niet. Terwijl Rooie in de keuken fluitend het eten bereidt rent Veger aan de achterkant het huis uit richting de woestijn. Als hij een tijd gelopen heeft en hijgend een moment op adem komt, hoort hij in de verte het pijnlijke gebrul van zijn broer.

16.
kom tot rust
mijn hart
kom tot rust
kom tot rust

mijn tranen
stroom niet altijd door
stroom niet altijd verder
verder dan
mijn gedachten kunnen reiken

Rooie staat, met het eten nog in zijn handen, voor zijn vader. Beiden zijn tot de ontdekking gekomen wat er is gebeurd.
‘Veger...,’ brult Rooie.
‘Gladde...,’ zegt zijn vader verbouwereerd.

En weer brult Rooie als een getroffen leeuw.
‘En ik dan?,’ vraagt hij huilend.
Hij knielt voor zijn vader. ‘Zegen ook mij, vader.’

Zijn vader glimlacht: ‘Alle zegen heb ik geschonken aan je broer. Al het geluk dat ik gekregen heb van mijn vader en al mijn bezittingen, alles heb ik aan hem gegeven. Jij zult hem dienen.’
‘Is er dan niets over?,’ vraagt Rooie droevig.

Zijn vader aait over het ruwe haar van zijn zoon en zegt:
‘De uitdager staat aan de deur van je hart. Je kan je laten overweldigen door haat en dan zul je voor altijd verloren gaan. Als je echter de haat overwint, zal niemand over jou heersen. Dat is mij gelukt in dit leven en die kracht kan ik aan jou geven.’
Rooie huilt in de schoot van zijn vader, lang en luid.

16.
kom tot rust
mijn hart
kom tot rust
kom tot rust
mijn kind lief
broos lief kind in mij
blijf niet altijd vragen
zoveel vragen

steeds weer herhalend
waarom?

Daarna staat hij op, maakt zich klaar voor een lange reis om zijn broer te achtervolgen.

Veger is de hele dag in de brandende zon door de woestijn getrokken. Hij heeft geen tijd gehad zich voor te bereiden. Daarom heeft hij te weinig water meegenomen en heeft hij een hoofdbedekking vergeten. ’s Avonds valt hij uitgeput bij een grote rots op de grond. Hij heeft een behoorlijke zonnesteek. Alles om hem heen begint te bewegen. In de verte ziet hij lichten. Het lijkt wel of ze op en neer op een ladder omhoog en omlaag gaan.
‘Engelen,’ fluistert hij.
Voor hem staat zijn broer, maar Veger ziet alleen engelen. Rooie heeft een fakkel in de ene en een mes in de andere hand. Hij ziet op Veger neer, vastbesloten om hem te doden. Hij strekt zijn arm uit om het mes met een klap in het hart van zijn broer te laten komen.

16.
kom tot rust
mijn hart
kom tot rust
kom tot rust
mijn handen
blijf niet steeds gebald
ga niet altijd vechten
sla niet harder dan
handen kunnen voelen

Maar het lijkt of iemand zijn hand vasthoud. Het lijkt of iemand roept:
‘Rooie, Rooie...’ Hij kijkt in de ijlende ogen van zijn broer en laat het mes vallen. Hij drukt zijn broer tegen zich aan en fluistert: ‘Veger, broertje.’

Hij geeft Veger te drinken, behandelt liefdevol zijn verbrande huid, maakt een slaapplek voor hem op de rots.
Veger fluistert: ‘Engelen...’
‘Ja,’ lacht Rooie zacht, ‘engelen... en ik ben God.’

‘God...,’ fluistert Veger.
‘Het komt allemaal goed,’ zegt Rooie. ‘Ga maar lekker naar je oom Witte. En als je terugkomt, dan is dit alles van jou, je mag het allemaal hebben... Ik zal op je passen. Er zal je niks gebeuren.’

1.
de zon zal jou niet slaan
noch sterren noch de maan
IK ZAL je aandacht ZIJN
IK ZAL er altijd ZIJN

Dan valt Veger in slaap. Tegen de ochtend verlaat Rooie de plek.
Als Veger wakker wordt zegt hij: ‘God was hier, en ik heb het niet in de gaten gehad. Hier moet de poort naar de hemel zijn. Hier woont God.’ Dan gaat hij op weg naar zijn oom.

Jaren gaan voorbij. Veger wordt een rijk man bij zijn oom en hij trouwt met wel vier vrouwen. Op een dag komt er een boodschap van zijn moeder: kom weer terug, het gaat niet goed met je vader. Over Rooie geen woord.
Veger verzamelt alles wat hij bezit en dat is niet weinig. Met een grootse karavaan van vrouwen en kinderen, slaven en slavinnen, runderen, ezels, kamelen, schapen en geiten begint hij de reis terug naar zijn familie.
Hoe dichter hij bij huis komt, hoe zenuwachtiger hij wordt. In al die jaren is de pijnkreet van zijn broer hem bijgebleven. In al die jaren is de angst voor de wraak van zijn broer toegenomen. De ontmoeting met Rooie hangt als een dreigende wolk boven zijn leven.

Als er uiteindelijk nog maar één rivier tussen hem en zijn broer ligt, raakt hij bijna in paniek. Hij laat ’s nachts iedereen de rivier overtrekken.
Zijn broer kijkt aan de andere oever toe. Hij is al een paar dagen op de hoogte van de aanstaande terugkeer van zijn broer.

Oh Vegertje, denkt hij bij zichzelf. Altijd maar weer sluw proberen te zijn. Hij is blij zijn broer weer te zien, en toch heeft hij het gevoel dat zijn broer nog een lesje moet leren. ‘We zullen weer eens een wedstrijdje spelen,’ lacht hij bij zichzelf. Hij doet een masker over zijn gezicht en gaat zonder dat iemand het merkt naar de overkant.

Veger heeft ondertussen de hele karavaan naar de overkant gedirigeerd en loopt nu alleen rusteloos heen en weer. Als hij op het punt staat zelf ook over te steken, springt er plotseling een gemaskerde man op hem en begint met hem te vechten. Het is een zware strijd. De mannen zijn aan elkaar gewaagd. Ze vechten de hele nacht.
Als het ochtend wordt denkt Rooie: ik moet weg, voordat Veger mij herkent. Hij geeft Veger een enorme trap tegen diens benen aan.
Veger wankelt en krimpt ineen van de pijn.

‘We stoppen er mee,’ zegt Rooie bars en hij loopt weg. Als in een impuls springt Veger naar de voeten van Rooie en haalt hem onderuit.
‘Oh nee, ik laat u niet gaan, voordat u mij zegent,’ hijgt hij.

17.
jij de zon en ik de maan
of jij de maan en ik het water
ik de nacht en jij de lamp
of ik de roos en jij de regen,
schijn op mij

jij de god en ik het beeld
of jij het beeld en ik de spiegel
ik het strand en jij de zee
of ik de ziel en jij de adem
schijn op mij

Rooie kan met moeite zijn lachen bedwingen.
‘Wat is je naam?,’ vraagt hij.
‘Veger.’
Rooie lacht. ‘Je heet nu geen Veger meer en ook niet meer Gladde. Je hebt iedereen tegen je in het harnas gejaagd, je bent gevlucht en teruggekomen. Je naam zal van nu af aan
Gods Broer zijn.’
De zon werpt haar eerste warme rode gloed over de horizon. Rooie wil weer weglopen. Veger houdt hem vast.
‘Wat is dan uw naam?,’ vraagt Veger en kijkt zijn gemaskerde tegenstander in de ogen. Vaag wordt een klank hoorbaar uit het verre verleden, een pijnlijke schreeuw, meegedragen door een verzengende wind.

‘Ik zal je nog zegenen,’ zucht Rooie.
Dan wordt alles zwart voor Vegers ogen: Rooie heeft hem knock-out geslagen.

De zon schijnt al volop als Veger weer bijkomt .
‘Dat moet God geweest zijn. Ik heb God gezien,’ zegt hij bij zichzelf, ‘van aangezicht tot aangezicht. En ik leef nog!’
Hij steekt de rivier over, eerst nog wat duizelig en een beetje strompelend. Dan zoekt hij zijn mensen op. Ordent de karavaan en stapt op zijn kameel.
‘Op naar Rooie!,’ roept hij.
Het duurt niet lang of in de verte doemt een stofwolk op.
‘Rooie...,’ gonst het door de menigte. Veger stapt van zijn kameel af en loopt de stofwolk tegemoet.
Het is Rooie met zijn manschappen. Veger buigt zich diep neer in het stof.

Rooie stapt van zijn paard af en rent naar zijn broer, Hij trekt zijn broer omhoog en drukt hem tegen zich aan: ‘Veger,’ zegt hij, ‘... mijn Broer.’
Veger kijkt hem aan en zegt: ‘Zoals ik jou nu zie, mijn ogen – jouw ogen, heb ik God gezien. En hij heeft mij gezegend.’

Rooie lacht: ‘Het eerstgeboorterecht blijft altijd van de oudste. De zegen is voor degene die hem ontvangt. Kom laten we kijken wie het eerst bij het huis van onze ouders is.’
En dan ze zetten het op een lopen.