god in het gekkenhuis

Sodom en Gomorra


Toen God weer eens een keer op bezoek kwam bij zijn vriend Abraham en zij beiden zaten na te genieten van het kostelijke eten dat Abraham hoogstpersoonlijk had klaargemaakt, wendde Abraham zich tot God.

‘Vriend?’
‘Ja Abraham’
‘Ik moet steeds aan de verwoesting van Sodom en Gomorra denken. Denk je dat het terecht was dat al die mensen stierven?’
‘Het was een meteoriet, Abraham. Het heeft er niets mee te maken of mensen terecht sterven of niet.’
‘Ik bedoel,’ zei Abraham, ‘blijkbaar zaten er geen tien rechtvaardigen in die stad. Want dat was onze afspraak, niet?’
God knikte. ‘Als er ten minste tien rechtvaardigen in de stad zouden zitten dan zou ik de meteoriet ergens anders hebben laten neerkomen.’
‘Maar hadden we ook een deal kunnen sluiten,’ vroeg Abraham zich af ‘als er bijvoorbeeld maar vijf rechtvaardigen in de stad hadden gezeten?’
God strekte zich vol behagen uit en zei: ‘Ah... Het was werkelijk een feestelijk maal dat je hebt bereid, Abraham. Maar om je vraag te beantwoorden: ja, als er vijf rechtvaardigen waren geweest en je had me er om gevraagd de stad omwille van die vijf te sparen dan had ik dat gedaan. Er waren overigens geen vijf rechtvaardigen.’

Abraham dacht na. ‘Even, gewoon voor de gedachtevorming: stel nou dat er maar één rechtvaardige was geweest. Ik bedoel Lot woonde er toch ook. Zou je de meteoriet hebben afgewend?’
‘Als jij er om gevraagd had, dan had ik omwille van die ene rechtvaardige de stad gespaard. Maar er was niet één rechtvaardige. Je kent je neef Lot, die is zeker geen rechtvaardige.’

Nee, dacht Abraham, hij heeft me eerst op slinkse wijze het slechtste deel van het land toe doen komen en nu heeft hij nota bene kinderen bij zijn dochters verwekt.

God schonk nog een glas wijn in.
‘La chaïm,’ zei hij.
‘Ja,’ sprak Abraham ‘op het leven!’
Ze dronken zwijgend.

‘Vriend?’
‘Ja Abraham’
‘Ik moet steeds weer aan de verwoesting van Sodom en Gomorra denken. Denk je dat het terecht was dat al die mensen stierven?’
‘Het was een meteoriet, Abraham. Het heeft er niets mee te maken of mensen terecht sterven of niet.’
Abraham dacht na. ‘Even, gewoon voor de gedachtevorming: er woonde blijkbaar geen rechtvaardige in de stad.’
God schudde zijn hoofd.
‘Als ik,’ vervolgde Abraham, ’je nu gevraagd had om de stad te sparen, rechtvaardigen of geen rechtvaardigen, zou je de meteoriet dan hebben afgewend?’
‘Tuurlijk,’ zei God, ‘we zijn toch vrienden’
‘Dus,’ ging Abraham verder, ‘ik had er alleen maar om hoeven vragen?’
‘Je had er alleen maar om hoeven vragen,’ bevestigde God.

‘Dan is het mijn schuld dat al die mensen zijn gestorven.’ Abraham keek God verschrikt aan.
‘Het is niet je schuld,’ sprak God, ‘Het was een meteoriet. Het is ook niet de schuld van de mensen die er woonden (hoewel het een stelletje boeven bij elkaar was). Er is geen schuld, er is geen boete.

De zaak had anders kunnen lopen, ja, maar dan was de meteoriet ergens anders ingeslagen.’
‘Dus uiteindelijk had ik niet eens een keus?’
‘Nee,’ zei God. ‘Je kan niet zeggen dat je echt een keus had. Niemand niet. En toch ontslaat dat je niet van de plicht om steeds voor het goede te kiezen en tegen het kwade.’

‘Maar wat is in dit geval goed of kwaad,’ riep Abraham vertwijfeld.
‘Daar kom je met je verstand niet uit, Abraham. Het leven is geen normale vraag, maar een Koan. Je moet durven los te laten en je moet doen wat goed is, en leven vanuit je mededogen.’
‘Ik snap het niet,’ zei Abraham.
‘Als je de volgende keer bij mij op bezoek komt, dan leg ik het je wel uit. Weet je trouwens dat ik ook fantastisch vegetarisch kan koken? Nou dag Abraham, tot de volgende keer dan.’

En God ging zijns weegs, zijn beste vriend in verwarring achterlatend.